Skip to content

Andries Hoornweg

Voorwoord

Hieronder staat het gedetailleerd verslag van A. Hoornweg betreffende de strijd in Timor met als bron archiefstuk 508/717 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). We hebben delen uit dit verslag kunnen gebruiken in ons boek en in artikelen op onze website.

We hebben de volgende opmerkingen:

1. De troepen werden niet ingescheept op het KPM schip Patras, maar op de Pijnacker Hordijk. Dit schip vertrok op 17 december 1941 uit de haven van Soerabaja en kwam op 22 december 1942 in de haven van Dilly aan;

2. Onder Persoonlijke verhalen kunt u het verhaal lezen van militie-sergeant Paul de Vrijer (https://verzettimor1942.nl/de-vrijer/). Hij maakte ook onderdeel uit van de 3e Compagnie van het VIIIe Bataljon Infanterie. Paul maakte onderdeel uit van stelling Zuid onder luitenant Horstink. Andries maakte onderdeel uit van stelling Oost onder luitenant Meis;

Schets van Nederlandse verdedigingsstelling bij Dilly. Links bevindt zich het vliegveld.

3. Andries is niet, na een verschrikkelijk zware tocht van 8 dagen, met de KNIL-troepen in Atamboea aangekomen, maar is vanuit Dilly met luitenant Horstink in 2 dagen naar Kailakoe bij Hatulia getrokken;

3. Tijdens het Japanse Augustus Offensief is Andries niet meegetrokken naar het oosten van Portugees Timor maar, onder Horstink, gebleven in het westen;

4. In het verslag heb ik hoofdstuktitels toegevoegd;

5. Tussen [] staan mijn overige opmerkingen.

Gerard van Haren

Verslag A. Hoornweg

Alvorens aan mijn wederwaardigheden te beginnen, welke ik tijdens de Jappen invasie op Timor heb beleefd tot aan de evacuatie naar Australie, wil ik er even op wijzen dat enkele namen van kampongs en rivieren mij door de tijd ontschoten zijn. Namen van personen zal ik zo getrouw mogelijk weergeven.

Dilly, Portugees Timor

In 1941 op de achtste December lag ik als sergeant in Garnizoen te Malang waar ik ingedeeld was bij de 3e Compagnie van het Achtste Bataljon. ‘s Morgens om 6.30 was de Kapt VAN BUUREN, commandant van de  3e Compagnie bezig met de inname van het rapport, toen een stafschrijver den Kapitein verzocht even op het Korpsbureau te willen komen. Na verloop van een kwartier kwam de Kapitein terug en zei dat Japanse vliegtuigen dien nacht Pearl Harbour hadden aangevallen, en een groot deel van de Amerikaanse Pacific vloot buiten gevecht had gesteld. Zonder een oorlogsverklaring aan Amerika te zenden had Japan de vijandelijkheden geopend. Maar zei de Kapitein, nog voor Amerika, Engeland of Australië het hadden kunnen doen, had Ned-Indië Japan den oorlog verklaard. Een ieder had het al dagen van te voren geweten, dat een oorlog onvermijdelijk was, maar toch verraste het ons allen.

In een kernachtige rede, waarin de Kapitein er op wees dat een ieder er zich nu wel van bewust was, wat nu zijn plicht was, en welke rede besloten werd met een driewerf “hoera” voor onze Koningin, liet de Kapitein de Compagnie inrukken. Officieren en  kader  werden  bij de Kapitein geroepen; na een korte bespreking ging een ieder zijn brigade klaar maken: patronen ontvanger, gas maskerbussen laten vullen, kleding en schoeisel verwisselen enz. Niemand mocht het kampement uit dan o.a. thuis de maaltijden te gebruiken.

Den 9den December om 13.00 werden officieren en kader bij den Kapitein geroepen en hoorden wij dat om 17.00 de Compagnie zou klaar staan om te vertrekken. Waarheen werd ons niet gezegd. Om 17.00 stond de Compagnie klaar, vrachtauto’s kwamen aangereden, iedere brigade een auto en we gingen op weg, richting Soerabaja. Halverwege werd halt gehouden, het was al donker, de auto’s reden met afgeschermde koplampen en maakte de Kapitein bekend dat we naar Pasaroean gingen. Om 21.00 kwamen we in Pasaroean aan, waar de Compagnie door de zorg van het HPB in een grote schuur werd ondergebracht. Alle brigades konden een plaats zoeken, behalve de 2e brigade waar ik commandant van was, die moest direct op wacht, terwijl de 4e brigade van Sgt VISSER op wacht moest bij de vuurtoren. Den volgende morgen werden beide brigades afgelost en konden inrukken, terwijl de rest van de Compagnie met de Commandant naar de stellingen aan de kust ging. De stemming onder de jongens, het was een Menadonese Compagnie, was opperbest. De stemming en het optimisme steeg nog meer, toen op een avond door de radio het bericht kwam dat op de Oostkust van Malaka een Hollandse onderzeeer vier grote transportschepen met Japanse troepen in de grond had geboord. De 12e december om 18.30 uur kwam ik van de vuurtorenwacht en vond de rest van de Compagnie aangetreden. De commandant liet mij bij zich roepen en zeide dat we vanavond om half acht zouden vertrekken naar Soerabaja waar een KPM’er klaar lag. We vertrokken en na veel geharrewar, waarbij de truck waarin mijn brigade zat panne kreeg, wat na een uur verholpen was, kwamen we op Tandjong-Perak aan, waar we ons inscheepten op de “PATRAS”. Niemand wist wat onze bestemming zou zijn, zelfs de Kapitein Van Buuren niet. Om 2.00 lichtte de “PATRAS” het anker, voort ging het in Noordelijke richtingen. Gissingen werden gemaakt, de ene beweerde dat Malaka onze bestemming was, de ander Tarakan of Balikpapan, een ander weer Menado, maar het rechte wist niemand. Den anderen dag zagen we dat het schip in Oostelijke richting voer. Even later kwam Kapitein Van Buuren zeggen dat we naar Timor gingen met  taak: bewaking vliegterrein van Dilly, de hoofdplaats van Portugees Timor. Het behoeft natuurlijk geen nader betoog dat gedurende de reis zowel dag en nacht de grootste waakzaamheid geboden was. Op de voorsteven van het schip stonden twee Karabijn-mitrailleurs opgesteld en op de achtersteven ook twee, bij wijze van afweer van eventuele vijandelijke vliegtuigen. De Kapitein van de “PATRAS” had laten bekendmaken dat bij luchtalarm een ieder zich, behalve de bediening van de KM’s naar het benedenschip moest begeven, terwijl bij eventuele torpedo-aanvallen een ieder over boord moest springen. Het schip voer dan ook slechts op een afstand van ongeveer 500 meter van de kust. Er gebeurde echter niets van dien aard en na een voorspoedige reis kwamen we ’s middags 15 December om 3.00 op Dilly aan.

Tot onze verwondering zagen we daar een peleton [peloton] van de Mitrailleur-Compagnie van het Achtste Bataljon aan de kade staan. Later bleek dat, dat peloton een dag na ons vertrek uit Malang zich te Soerabaja had ingescheept op een Nederlandse oorlogsbodem [dit peleton [peloton] was per vliegtuig overgebracht naar Koepang en daar aan boord gegaan van de Hr. Ms. Soerabaja], en naar Portugees Timor was vertrokken. De goederen die we hadden meegebracht werden vlug gelost en in loodsen ondergebracht. Bij aankomst in Dilly vonden we de Commandant van de Hollandse troepen op Timor, de Overste Van Straten, en de Kapitein der Infanterie Breemouer welke laatste door de Generale Staf te Bandoeng was uitgezonden, en belast was met de stellingwerken in de omgeving van Dilly. Den volgende dag werd de compagnie ingedeeld: een gedeelte onder Commando van Lt. Horstink kreeg als taak stellingen te maken om het vliegterrein, een gedeelte onder Lt. Meis om Dilly aan de Zuidzijde van stellingen te voorzien, en een gedeelte onder Sgt. Walian om de zeezijde van stellingen, pilboxen e.d. te voorzien, alles onder leiding van de Kapitein Breemouer. Enige dagen later kwam er een Hollands vliegtuig die een afdeling verbindingspersoneel en genie uit Tjimahi en Soerabaja bracht [het Verbindingspersoneel zat ook op de Pijnacker Hordijk]. De Compagnie was dus gesplitst; een sectie had zijn plaats op het vliegterrein en de vuurtoren, een afdeling lag gelegerd in de Portugese school en een afdeling lag aan de zee in een oude niet meer gebruikte Chinese bioscoop. De Australische Independant Compagnie was een week eerder dan wij op Dilly aangekomen en was ook op verschillende punten in Dilly verdeeld. De Australiërs [volgens van Straten het KNIl] ]hadden bij hun aankomst direct een begin gemaakt met het interneren van Jappen, wat later uit het onderzoek alle officieren bleken te zijn. Deze werden in een leeg huis opgesloten, en  bewaakt. Verder valt er niet veel te vertellen over de gang van zaken, dan dat op een dag in Januari 1942 bij een aanrijding met een andere auto de Kapitein VAN BUUREN zijn been brak en per vliegtuig naar Malang werd getransporteerd. De vervanger van Kapitein Van Buuren was Kapitein De Jong, die drie dagen nadat Kapitein Van Buuren was geëvacueerd, op Dilly aankwam. Onze nieuwe Kapitein nam als Commandopost de vuurtoren, Lt. Horstink werd Commandant van de afdeling die aan de Portugese school lag, en Lt. Meis werd commandant van de afdeling die aan de kust in de Chinese bioscoop. In die bedrijven door was de Overste van Straten met een afdeling onder de Smi. Van Haren van de Miltr. Afd. het gebergte achter Dilly gaan verkennen voor het oprichten van voedseldepots. Als Adjudant van de Overste Van Straten was toegevoegd de Elt. der Miltr. Zijlstra, terwijl de medische verzorging berustte bij de OVG II Dr. The. De artillerie -commandant was de Elt. De Winter, die met twee [vier] stukken stelling had genomen bij de vuurtoren. Twee mitr hadden tot taak het vliegterrein te beveiligen, terwijl twee mitr waren opgesteld aan de kust, dus de stelling waar ik bij behoorde. Het aantal Nederlands-Indische troepen bestond toen uit 596 man, terwijl aan Australische troepen ongeveer 750 man aanwezig was. Het geheel stond onder co van de Australische Kol. Spencer [Spence]. De laatste week van Januari 1942 was de Elt. Stol [Stoll] van det. Atamboea nog op Dilly aangekomen. Op vier dagmarsen van Dilly had de Lt Stol [Stoll] een grote levensmiddelen opslagplaats gemaakt voor het geval onze troepen zouden moeten terugtrekken. Na even in Dilly te zijn geweest  is de  Elt. Stol weer naar Atamboea teruggegaan [Elt Stoll heeft in februari 1942 de opslagplaats en kampement opgebouwd tussen Dilly en Atamboea (Hatulia)].

Het eerste eigenlijke contact dat met de Jappen werd gekregen was op Zondag 8 februari 1942. Om 11.00 in den morgen, terwijl ieder in de stellingen bezig was, hoorden we dat vliegtuigen in aantocht waren. We wisten niet wat voor vliegtuigen het waren, aangezien er herhaaldelijk vliegtuigen van Darwin (Australië) kwamen. Daar het een bewolkte lucht was, konden we eerst niets zien, doch eindelijk zagen we twee jagers die recht op het vliegterrein afkwamen, naar beneden doken en de mensen die daar werkten begonnen te beschieten. Later bleek dat gelukkig niemand getroffen was. Daarna stegen ze weer de hoogte in vlogen nog twee keer om het vliegveld en kwamen regelrecht op onze stellingen af. Ook de stellingen werden beschoten doch ook hier werd niemand geraakt. Op het vliegterrein werden de mitr wel op de vliegtuigen gericht, doch voor er gevuurd kon worden, waren ze al boven onze stelling. Wel beschoot onze mitr de vliegtuigen, doch ook hier geen resultaat. Het waren twee Japanse Zero’s, die ons een bezoek hadden gebracht. Het spreekt van zelf dat de waakzaamheid nog meer werd verhoogt. De overste Van Straaten en de Kapt. Breemouer gingen direct naar de Portugese-Gouverneur om te protesteren tegen de schending der Portugese neutraliteit. Wat ik reeds eerder had moeten vermelden is de houding der Portugese troepen. Daar wisten we in de beginnen niets van. Het leger van Portugal in Dilly bestond uit 300 man. De commandant van dat leger was een Kapt, een zeer nors en onaangenaam mens. Als we op straat liepen en hem ontmoeten, de groet brachten, werd die groet nooit beantwoord. Nadat dit incident met die twee Japanse Zero’s scheen die Kapt iets te zijn bijgedraaid, want twee dagen later werden de officieren van ons ten zijnen huize uitgenodigd om de verjaardag van zijn dochter te vieren. Tussen haakjes, die dochter was oerlelijk en had volgens zeggen er één van de vijf op loop.

Het schijnt dat de Gouverneur van Portugees-Timor bericht heeft gezonden aan zijn regering in Lissabon, want op een goede dag kwam er bericht bij de Australische Commandant op Dilly, dat twee duizend Portugese troepen onderweg waren om de zaken zelf in handen te nemen. De Overste van Straaten gaf aan Lt Schreuder van de Intendance opdracht om zoveel mogelijk paarden in te huren om vrachten van Dilly naar Atamboea te sturen. Wij zouden dus afgelost worden door de Portugezen en naar Atamboea gaan. Op een gegeven ogenblik had Lt. Schreuder ongeveer 70 paarden ingehuurd en zou de eerste tocht naar Atamboea beginnen. Dat was op de achttiende februari 1942. Intussen had de Kapt. Breemour telegrafisch bericht gekregen om de 19e februari vanuit Dilly per vliegtuig naar Java terug te keren. En nu begint eigenlijk het werkelijke contact met de Jappen.

Japanse landingen

Op den avond van de 18e [19] februari 1942 lag ik reeds op mijn brits, doch kon de slaap niet vatten. Naast mij lag Lt Meis. Ik gooide me van de ene op de andere zij, zodat Lt Meis op een gegeven ogenblik vroeg wat er was. Ik zeide niet in slaap te kunnen komen omdat ik me niet rustig voelde. We stonden beiden op gingen naar buiten een sigaret roken en na verloop van een kwartier gingen we weer naar bed. Spoedig hoorde ik dat Lt Meis was ingeslapen. Het was precies kwart over elf toen een der wachthebbenden die bij de stelling zaten bij mij kwam en berichtte, dat hij meende iets verdacht te horen dat uit zee kwam. Ik stond direct op, ging naar buiten en na enige ogenblikken geluisterd te hebben hoorde ik het gerommel van ankerkettingen. Ik waarschuwde ogenblikkelijk Lt Meis, die direct telefonisch de Staf waarschuwde. Het antwoord hierop was, dat er alarm gemaakt moest worden. Vlug werden alle troepen gewaarschuwd, en een ieder begaf zich met [naar] zijn afdeling. Nog steeds dachten we niet aan de Jappen, want iedereen dacht dat het Portugese troepen waren die ons kwamen aflossen. Lt de Winter kreeg echter opdracht om twee schoten ter waarschuwing voor de schepen te lossen. Het antwoord bleef niet lang uit. Nadat Lt de Winter twee schoten had gelost, werden deze beantwoord door drie schoten van de schepen. Het was nu duidelijk dat we met de Jappen te doen hadden. Ik wil even opmerken dat de schoten van de Jap gericht waren op de stelling bij de vuurtoren. Bij het tweede schot dat de Jap loste werd een der kanonnen zodanig geraakt dat deze buiten gevecht was gesteld. De radiotelegrafist de Adjudant Roodhand [Rothkranz] stuurde op last van Overste Van Straaten bericht naar Bandoeng dat de Jappen Dilly hadden aangevallen. Het bleef echter niet bij die schoten van de Jap. Bij een derde schot afgevuurd op de Staf, werd deze voor een gedeelte in de puin gelegd, en waarbij de Sgt Siksma [Stiksma] van de Mitr beide benen tot boven de knieën werden afgeschoten en een Javaans sldEkl door granaatscherven de rechterarm en een gedeelte van de borst werd weggerukt. Beiden waren dan ook op slag gedood. Doch niet alleen de stelling vuurtoren en de Staf moesten het ontgelden; ook onze stelling waar de Jap schepen precies voor lagen werd onder vuur genomen. Eindelijk hield na een kwartier het bombardement op. Direct daarop hoorden we het geplas van riemen in het water en probeerde de Jap een landing te doen. Ik kreeg van Lt Meis opdracht om bij de steiger (ongeveer vijftig meter west van onze stelling) met mijn brigade daar heen te gaan en eventuele sloepen die mochten doorbreken daar op te vangen. Tegelijkertijd dat de Jap bij onze stelling probeerde te landen, hoorden we ook dat er bij de vuurtoren en op het vliegveld pogingen werden gedaan om te landen. Ook deze pogingen werden afgeslagen. Het scheen dat de Jappen van hun poging om in Dilly te landen hadden afgezien, want we hoorden niets meer. De gehelen nacht bracht de Staf in onze stelling door. Om half drie kreeg ik van Overste Van Straaten opdracht om naar het vliegterrein te gaan en Kapt. de Jong te zeggen, dat alle vuur op de westelijke zijde van het vliegterrein gebracht moest worden. De overste was van mening dat de Jap hun landingspoging hadden opgegeven en een eind verder proberen wilde te landen, wat inderdaad goed gezien was. Ik vertrok met mijn opdracht, bracht het bevel over en keerde terug. Bij mijn terugkeer bleek, dat de overste met de Staf en twee brigades uit de stelling was vertrokken.  Lt. Meis, die achter was gebleven om te wachten op mijn terugkeer vertelde dat de Overste weggegaan was om de Jappen die West van het vliegveld zouden landen op te vangen. Ik moest stand houden, en een mitrailleur die was achtergebleven met een geweer en een k.m. [karabijnmitrailleur] groepdekken. Om half zes ’s morgens konden we de Japanse schepen zien. Het waren: twee kruisers en drie torpedojagers met zeven transportschepen. Lt de Winter was de eerste die begon te vuren, daar de afstand te groot was, boekte de luitenant geen treffers. Ondertussen begonnen de Jappen pogingen te doen om te landen op het vliegterrein. Het was eigenlijk een schijnlanding, want de werkelijke landing had, zoals later gebleken was, op ongeveer 6 km. West van het vliegveld plaats gehad, doordat ook de afdeling van Overste Van Straaten te laat was gekomen. Om 8.30 kwam er bericht voor Lt. Meis, dat hij zich bij Overste van Straaten moest melden; de ordonnans die het bericht kwam brengen zeide dat alles, op één Km [karabijnmitralieur] groep en een mitrailleur met bediening na moest achterblijven. Ik kreeg last van Lt Meis om met mijn km groep achter moest blijven. Het eigenaardige was dat de Jap geen landing meer in Dilly probeerde. Het artillerie duel tussen de Jap en onze eigen artillerie duurde steeds voort. Het zal zoowat 10.00 geweest zijn toen een Jap torpedojager probeerde dichterbij de vuurtoren stelling te komen. Plotseling zagen we van het middendek van de jager een vuurzuil opstijgen; gevolgd door een harde knal, en maakte slagzij, en langzaam begon het schip te zinken. Lt de Winter had een Jap. Torpedojager in de grond geboord. Doordat enige mensen van mijn km groep heen en weer liepen werd vanaf een Jap. torpedojager met een zware mitr. op ons gevuurd, echter zonder resultaat. Het zal ongeveer 11.00 geweest zijn toen er in de stad een grote beweging ontstond. Portugese burgers kwamen aangerend en riepen dat buiten het vliegterrein de Jap geland was. Het geschut bij de vuurtoren hoorden we niet meer, blijkbaar was ook het laatste kanon tot zwijgen gebracht of was de munitie verschoten. Op het vliegterrein zelf was het gevecht nog in volle gang; de meeste waren reeds teruggetrokken, doch Smi van Haren en Sgt de Graaf, waren de enige die met vier Jav. Soldaten op het vliegveld hadden stand gehouden. Pas dagen later hoorden wij van de Portugese bevolking, dat kleine groepje den Jap een verlies van 1000 doden en gewonden had toegebracht. In mijn stelling werd het steeds benauwder, steeds kwamen er meer Portugesen langs die riepen dat we weg moesten omdat de Jap al in de stad was. De cdt van de mitr en ik overlegden wat te doen en besloten te blijven; mocht de nood aan de man komen, dan konden we altijd nog in O. richting langs de kust terug trekken. Wel vroegen we ons af waarom wij geen steun van vliegtuigen kregen, want wat zou dat mooi geweest zijn als we maar twee bommenwerpers hadden gehad en wat jagers. De Jap. zelf had ook niet [mee] meer dan twee jagers die hier en daar troepjes die terugtrokken, beschoten. Enige dagen later hoorden we waarom we geen steun van vliegtuigen kregen; Den 19e februari 1942 werden Koepang en Darwin gelijktijdig aangevallen. In Koepang landde de Jap en Darwin kreeg een zware luchtaanval te verduren; dus geen van beiden konden ons helpen. De toestand bij ons werd al steeds benauwder. Van de zeven man van mijn km groep had ik nog maar vier man over; de overigen waren zonder mij te waarschuwen teruggetrokken.

Terugtrekking richting Nederlands Timor

Om 11.30 kwam Lt. Zijlstra met een truck en vijf man bij mij en zeide dat de stad practisch omsingeld was, en voort moesten maken. De enigste weg die we nog konden gaan was in O. richting langs de kust. Bij de staf gekomen werd halt gehouden en werd de stafauto van overste Van Straaten in brand gestoken, waarna enige jongens twee vaten benzine over de vloeren lieten lopen en het gebouw in brand werd gestoken. Daarna gingen we met onze truck verder. Na ongeveer 1500 meter te hebben gereden hield de weg op; er werd uitgestapt en ook onze truck ging in vlammen op. Lt. Zijlstra deelde ons mede dat we op het nippertje waren ontsnapt, en dat we met  zijn allen naar Aer Ljen moesten gaan, daar de overste van Straaten bevolen had,  alle troepen daar te verzamelen. Na ongeveer een uur in Z. richting te hebben gelopen was Lt. Zijlstra met zijn mensen plotseling verdwenen. Nu waren mijn mensen over en oververmoeid, zoodat van vlug lopen niet veel kwam, en daar nog bij kwam dat we het gebergte ingingen. De Lt. Zijlstra is vermoedelijk een andere weg ingeslagen. Het zal ongeveer half twee geweest zijn toen we bij een kleine kali kwamen waar we een kleine rust zouden houden. Ik had eenige posten uitgezet en overlegde met de mitr. cdt wat we verder zouden doen. De mitr. cdt. had onderweg zijn mitr. onklaar gemaakt en in het ravijn geworpen. Juist toen we aan het bespreken waren, hoorden we stemmen dicht bij ons. Ieder was op zijn hoede. Ongeveer vijftig meter O. van ons groepje zagen we Lt. Horstink de kali oversteken. We riepen hen aan en stelden ons onder de bevelen van Lt Horstink. De Lt. Had zelf een veertig man bij zich, ik zelf was met 9 man, zoodat we met zowat vijftig man waren. Lt. Horstink had enige inheemse mensen (Portugezen) bij zich die mais bij zich hadden. De meeste van ons hadden helemaal geen eten bij zich; degenen die nog noodrantsoen bij zich had, leverden dat in en werd over de troep verdeeld. Na gerust te hebben, zette de troep zich in beweging in Z. richting naar Aer Ljen. Onderweg kwamen er nog meer groepjes bij die van hun eigen troep waren afgedwaald. Het was een zonderling mengelmoesje: men had infanterie, artillerie, genie, pontoniers, hospitaalpersoneel, radiotelegrafisten, alles bij elkaar. Om 18.00 kwamen we in de stromende regen in Aer Ljen aan. Van de overste van Straaten was niet te zien. Later hoorden we dat de overste met ongeveer vijf en zeventig man daar was geweest, maar van kolonel Spencer opdracht had gekregen zich naar Kailakoe, een kampong ongeveer 20 km Z. van  Aer Ljen, te begeven en zich daar met de troepen bij de Australiërs te vervoegen. Na dien nacht in Aer Ljen te hebben overnacht begaven we ons op weg om ons te voegen bij overste van Straaten. Ik maak even melding van het feit dat we door de bevolking van Aer Ljen wat uit Portugezen bestond, goed zijn onthaald. De mensen slachten kippen, kookten rijst, eieren, visch e.d. Nadat de Lt. Horstink de bevolking hartelijk had bedankt voor het onthaal gingen we op weg. De Jappen zaten echter niet stil. Vijandelijke patr. werden uitgezonden om met behulp van Timorese inlanders, die daartoe grotendeels waren gedwongen ons zoveel mogelijk schade te berokken. Door propaganda wist de Jap. het vertrouwen te winnen van de bevolking waardoor deze al spoedig op hun handen waren. Ik heb nog vergeten te melden dat, toen de Holl. troepen in Dilly aankwamen, het Indische geld ingewisseld kon worden tegen Portugese geld; de meeste van ons hadden dan ook nog een aardig bedrag. Op Portugees Timor was de gangbare munt de “pataca” een zilverbon ter waarde van één Indische gulden. Al zeer spoedig bracht de Jap daar verandering in door de Indische gulden te doen dalen. B.v. wat wij vroeger voor een pataca betaalden moesten we nu er twee voor betalen. ’s Avonds kwamen we in Kailakoe aan en vonden daar een compagnie Australiërs onder captain Bowland [Boyland]. De Australische captain vertelde Lt. Horstink dat de overste van Straaten naar Atamboea was gegaan, en dat Lt. Horstink zich onder de bevelen van captain Bowland moest stellen. In Kailakoe was een grote opslagplaats van levensmiddelen, welke toen ter tijd door Lt. Stoel [Stoll] van Atamboea was gemaakt. We bleven voorlopig op Kailakoe. Bijna iedere dag melden zich troepjes van drie of vier man, die van hun commandanten waren afgedwaald, en die wisten dat in Kailakoe een levensmiddelen magazijn was. Op zekeren dag kwamen twee Timorezen melden dat een Jap troepenmacht zich in de richting bewoog om de geallieerde troepen aan te vallen. Verschillende patrouilles ter sterkte van een brigade werden in alle richtingen uitgezonden, maar van de vijand was geen spoor te zien. Later bleek dat de berichten door de Jappen waren rondgestrooid om ons lichamelijk en geestelijk af te matten. Op een dag werd een patr. van acht man door Lt. Horstink uitgestuurd om berichten omtrent de Jap in te winnen; de patr. keerde nooit meer terug; of door de Jap of door de bevolking is deze patr. gevangen genomen of afgemaakt. Op de 7e maart 1942 werd de afd. van Lt. Horstink (60 man) op last van de captain Bowland naar de Portugese post Hailulu te begeven. Op de achtste Maart kwamen we daar aan en hoorden van een Australische afd. die daar lag, dat Java gecapituleerd was. Op de 15 maart 1942 hoorde Lt Horstink dat de Overste van Straaten de troepen in Atamboea op de 8ste maart had toegesproken dat het leger op Java zich had moeten overgeven. Atamboea was toen nog niet in handen van de Jap. De troep in Atamboea kon zijn eigen weg gaan en wie wilde, kon het eiland verlaten. Het geld wat op Atamboea bij het H.P.B. was, werd onder de troepen verdeeld en in plukjes van vijf of zes man ging een ieder zijn weg. Op een dag in de laatste week van Maart hoorde Lt. Horstink dat de Overste van Straaten met Lt. de Winter, kapt. Breemouer en Lt. Schreuder Atamboea hadden verlaten met een gedeelte van de troep die bij hun was. De Jappen waren in aantocht om met een grote troepenmacht Atamboea te bezetten. Toen de Jappen daar dan ook kwamen was er van onze troep niets te bekennen; het had ook geen nut zich te verzetten, de meeste hadden hun wapens weggegooid en liepen als een ordeloze bende van kampong tot kampong. Tucht en discipline waren zoek. Ieder was aan zichzelf overgelaten. Toen Atamboea viel, werden vrouwen en kinderen geïnterneerd.  De toenmalige commandant in Atamboea was de kapitein van Zwieten [Swieten]. Op een dag in April 1942 hoorde de Lt. Horstink dat de Overste van Straaten zich met een kleine troepenmacht in Lebos bevond, een kleine Portugese nederzetting. De Lt. wilde de Overste het voorstel doen terug te gaan naar Dilly om in vereeniging met Australiërs een aanval te doen. De lt. liet mij op Hailulu met vijftien man achter en ging op weg naar Lebos. Wat er tussen de Overste van Straaten en de Lt Horstink besproken is weet ik niet, maar de Lt heeft opdracht gekregen om met zijn troep terug te gaan naar het plaatsje Memo, een dag mars van Atamboea.

Reorganisatie grensgebied Portugees Timor en guerrillastrijd

Het mooie was echter dat tussen Memo en Hailulu een telefonische verbinding was, zodat ik iederen dag de Lt. Horstink kon opbellen als er iets was. Op het laatst van April belde Lt. Horstink mij op om met het krieken van den anderen dag me klaar te maken voor vertrek naar hem toe. De Lt. zeide me niet naar Memo te komen, want het noemen van plaatsen was gevaarlijk. De volgende dag om vijf uur ’s morgens stonden we gereed voor vertrek, toen zich een klein incident voor deed. De km schutter die ik bij me had een zekere man. Sld. tkl. Pesik [Pessik], wilde niet mee omdat hij het in Hailulu zoo goed had. Het ene woord na het andere werd gewisseld met het gevolg dat Pesik een dreigende houding aannam. Als hij dan toch van Hailulu weg moest zei hij, zou hij naar de Jappen gaan, en alles vertellen wat hij wist. Ik dreigde hem eigenhandig neer te schieten, indien hij dat wilde proberen. Ten slotte koos hij eieren voor zijn geld en ging met mij mee op reis naar Memo. Over de tocht Hailulu – Memo valt niets te vertellen, dan dat het een traject was dwars door de alang2 [hoog rietgras]. Om half zes kwamen we in Memo aan en meldde de troep bij Lt. Horstink. Van het incident met Pesik werd melding gemaakt en genoemde soldaat werd ook door Lt. Horstink nog eens flink onderhanden genomen. Bij de troep van Lt. Horstink waren in dien tussentijd nog andere KNILtroepen bijgekomen, zodat er toen een troepenmacht van ongeveer 90 man was. ’s Avonds riep Lt. Horstink het kader bij elkaar en vertelde dat hij opdracht had gekregen zich met zijn troepen naar Tilomar te begeven omdat het leger daar weer georganiseerd zou worden. Na twee dagen vertrok de troep uit Memo op [naar] Tilomar. Het behoeft natuurlijk geen nadere melding dat er met veiligheidsmaatregelen werd gelopen, want de Jap. zat dicht in onze buurt. Om 20.00 naderden we Lebos. Op vijfhonderd meter van Lebos stieten we op een Australische wacht, die ons eerst voor Jappen aanzagen. We werden door enkele Australische soldaten naar Lebos gebracht en overgegeven aan de Austr. cdt een kapitein wiens naam me ontschoten is. Na twee dagen op Lebos verbleven te hebben, gingen we op weg naar Tilomar, waar we om 18.00 op de 3e Mei 1942 [12 april 1942] aankwamen. Op Tilomar zagen we de Overste van Straaten, Kapt. Breemouer, Lt. Zijlstra, Lt Schreuder, Dr. The en nog andere bekende gezichten. De post Tilomar was eigenlijk meer een fort en liggende op een hoogte van ongeveer 100 meter. De commandant, een Portugees, wij zouden zeggen een controleur, was in alles behulpzaam. Beneden was een groot bivak gemaakt aan een kleine kali, opgetrokken van rondhout en een omwanding van bale2 van peloepoe. De Staf bestaande uit: de Overste van Straaten, lt. Schreuder, Lt Zijlstra, Dr. The, de administrateur van de 3e compie 8e Bat. Verbindingspersoneel bleven boven, terwijl de kapt Breemouer, lt Horstink, adj. Roodhand [Rothkranz}  en Smi van Haaren [Haren] met het grootste gedeelte naar het kamp beneden gingen. Beneden werd de compagnie ingedeeld: Lt. Horstink een sectie, adj. Roodhand [Rothkranz] een sectie en Smi van Haaren [Haren] een sectie. Bij de Staf was ook nog een afd. Australiërs die in het bezit waren van een zend en ontvangststation. Zoodoende hadden we na een hoop moeite verbinding met Darwin. Nu moet men niet denken dat de verbinding met Darwin zoo gemakkelijk tot stand was gekomen. De Jappen immers hadden het bericht de lucht ingestuurd dat de laatste geallieerde troepen op Timor waren vernietigd. In Darwin was men natuurlijk dan ook zeer wantrouwend. Na eindeloos geprobeerd om ze in Darwin toch maar te overtuigen dat op Timor toch nog geallieerde troepen zaten werd de verbinding tot stand gebracht. Wat het eten betreft dat was goed. De Portugese cdt [commandant] gelastte de bevolking rijst, vlees, groenten en vruchten te bezorgen en ook tabak; Alles moest natuurlijk betaald worden.

Op zekeren dag werd kapitein Breemouer bij de staf boven geroepen. Er zou op zekeren dag bij de Z. kust ter hoogte van het plaatsje Beko [Beco], een vliegboot komen uit Australië met barang voor de troepen. Op een dag, de datum ben ik vergeten, kreeg Lt Horstink opdracht zich ’s avonds om [in] 18.00 met tien man en acht paarden op weg naar Beko te begeven om daar de komst van een vliegboot af te wachten, die om 01.00 zou landen. Het zou dien nacht volle maan zijn. Om 19.00 vertrok Lt. Horstink met het transport vergezeld van de beste wensen en een behouden terugkeer. Zelfs was ik niet bij het transport ingedeeld. Den volgenden dag om 10.00 kwam Lt. Horstink terug van Beko met veertien kisten, inhoudende Tommy guns Lee Enfield geweren, munitie, levensmiddelen, kleren schoeisel, tabak e.d. Wat waren we blij dat we wat kleren hadden, want de meeste liepen met lompen aan het lijf. Een ieder kreeg een kakhi shirt en een kakhi short, met een doosje “Graven A “, shagtabak. De levensmiddelen gingen naar het levensmiddelenmagazijn. Ik heb vergeten te zeggen dat de Smi. Bootsma [Boomsma] en de Mil. Sgt Hoomeijer [Homeijer] door Overste van Straaten naar een Port. post waren gezonden waar Ausies lagen, om daar theorie en praktijk op te doen wat betreft de Bren, tommy gun en Lee Enfield. Eenige tijd nadat wij onze wapening hadden ontvangen kwamen Bootsma [Boomsma] en Hoomeijer [Homeijer] terug en begon voor ons de theorie en praktijk van de wapening. Het zal ongeveer begin Juni 1942 geweest zijn, dat Lt. Zijlstra opdracht kreeg met een afdeeling naar Floregn [Fohoren] te gaan, een Port. post anderhalve dagmars van Tilomar, Lt. Meis werd aan den Lt Zijlstra toegevoegd. Lt Horstink kreeg opdracht met een afdeling naar Dacola te gaan een post op ongeveer acht uur van Tilomar. De rest bleef op Tilomar; maar alle drie afdelingen moesten patrouilles lopen omdat de Jap actief begon te worden. De Jap had ons altijd versleten als krijgsgevangen die in hun eigen voeding voorzagen, maar door patrouilles door Overste van Straaten uitgezonden, werd het den Jap geducht lastig gemaakt. De Hollandse troepen waren hun guerillastrijd begonnen. Op zekeren middag in Juni [27 april 1942] kreeg Kapt. Breemouer, die nog altijd beneden bij ons in het kamp was bericht bij de overste van Straaten te komen. Na een uur kwam de kapitein terug met de mededeling dat we ons om acht uur dien avond moesten klaar houden. Verder niets. Om acht uur rukte de afdeling onder de kapitein uit, op een man of tien na, die achterbleef als bewaking bivak. Om 01.00 ontmoeten we de Afdelingen Horstink en Zijlstra die door boden bericht hadden gekregen om op een bepaald punt daar te zijn. De afdelingen waren er, en in een oude schuur werd gezegd wat het doel was van deze tocht. Het bleek dat we naar kpg [kampong] Alas zouden gaan om de beruchte radja van dien naam van zijn bed te lichten. De radja had de dood en de gevangenneming van verscheidene onzer jongens op zijn geweten. We marcheerden dus af en waren om ongeveer 4.00 in den morgen bij de kampong Alas. Bij de kampong stond een huisje wat vlug door een paar man werd omsingeld, een der mannen van zijn bed gelicht en met pistool in zijn nek gedwongen werd ons naar het huis van de radja te brengen.  Vijftien man gingen met kap. Breemouer op het huis aan, maar ongeveer honderd meter voor het huis begonnen er een paar honden te blaffen. In de looppas ging het toen naar het huis, werd vlug aan twee zijden omsingeld. Er werd gesommeerd dat iedereen naar buiten moest komen, wat tot gevolg had, dat er drie oude vrouwen het huis uitkwamen. Bij ondervraging zeiden de vrouwen dat de radja dien avond te voren naar Atamboea was vertrokken om een bespreking met de Jappen cdt te hebben. Daarna werd de deur ingetrapt en de kapt. Breemouer ging met mij en vier man naar binnen. Alles werd overhoop gehaald en onderzocht en het bleek inderdaad dat de radja er niet was. Na de bevolking van de kampong te hebben gerust gesteld dat ze van ons niets hadden te vrezen, als ze niet met de Jappen samenwerkten gingen we terug naar Tilomar. Op een zeker punt gingen de Lts. Zijlstra en Horstink met hun afdelingen naar hun posten terug en kwamen wij om 12.00 op Tilomar aan. Het is te begrijpen dat we op Tilomar niet stil zaten; steeds moesten er patrouilles uit, die contact met de Jap moesten zoeken, welke patrouilles vaak met de Jappen in aanraking kwamen en over en weer geschoten werd. In de beginne bleef de Jap. alleen op de wegen patrouilleren; toen de Jap ondervond dat we langs de wegen hinderlagen gingen leggen kwam hij ook in het terrein. Dat de bevolking steeds meer op de hand van de Jap kwam, bleek uit het feit dat zich bij ieder Jap. patrouille minstens honderd inlanders waren. Het gebeurde wel dat, als we ’s middags in een kampong kwamen er zoo ongemerkt een paar Timorezen uit de kampong te paard weggingen en naar de Jappen gingen om dan te zeggen dat er Hollandse troepen waren. Het is vaak gebeurd dat we dan ’s morgens gewekt werden door Jap. mitrailleurvuur. Later deden het anders: we kwamen ’s middags in de kampong, kookten waschten onze kleren en tegen zonsondergang gingen we weg om buiten de kampong in het bosch onze tenten op te slaan. De meeste mensen die dit lezen zullen wel denken, waarom we niet altijd slaags raakten met Jappen en waarom wij hun niet opzochten. In de eerste plaats konden we dat niet gezien onze geringe sterkte, ten tweede liet onze bewapening dat niet toe (we hadden als aut. wapens alleen per sectie één bren, die niet altijd als een patrouille uitging mee kon) ten derde onze lichamelijke gesteldheid liet het niet toe, daar het vaak gebeurde dat we in twee dagen niet te eten hadden omdat de bevolking onwillig was te leveren, en tenslotte de angst van sommige onzer mensen, dat indien ze gevangen zouden worden genomen of door de bevolking of de Jap zouden worden afgemaakt. De Jap had op iedere blanke een prijs gesteld van F. 60,–. Dat zijn de hoofdredenen waarin de troep niet tot een openlijk gevecht met de Jappen kon komen, ook het moreel speelde bij ons een grote rol.  Onze hoofdtaak was dit: de Jap te observeren aangaande zijn beweging b.v. het gebeurde vaak dat de Jap in een grote plaats enkele dagen verbleef, dan was het onze taak daarvan bericht naar Darwin door te sturen, en dan gebeurde het vaak dat nog dienzelfde dag twee of drie bommenwerpers met enkele jagers boven de Jap kwamen en dan het zaakje gingen bombarderen. Door deze bombardementen heeft de Jap altijd de zwaarste verliezen geleden. Dus u ziet, om den vijand verliezen toe te brengen, hoeft een troep niet altijd actief aan een gevecht deel te nemen. Ook bij ons bleek dus dat berichtgeving door ons de meeste resultaten afwierp. Het zal ongeveer half Juli 1942 geweest zijn dat het bekend was dat de Portugeese kampong Fatoe Malakka in zijn geheel met de Jap heulde. De bevolking trok er op uit om onze patrouilles in hinderlagen te laten lopen, of door hun diensten aan te bieden den weg te wijzen en de patrouilles zoo in handen van de Jap te spelen. De Hoofdman van die bende was een Chinees. Lt Zijlstra en Horstink kregen opdracht zich op een bepaalde punt te verzamelen en zich bij ons te voegen. De Cdt. was kap. Breemouer. Om zes uur ’s avonds [27 juni 1942] vertrokken we uit Tilomar. Bij een bepaald punt ontmoeten we de colonne, Zijlstra en Horstink. Er werd daar besproken wat er moest gebeuren. Kapt. de Jong zou de doorzoekingslinie zijn, de Noordrand dus, de Oostrand zou worden afgezet door Lt Zijlstra, de Zuidrand door Lt Horstink en de Westrand door Smi van Haren. Om 4.30 kwamen we bij de kampong. Omdat we van het zuiden kwamen moest kap. de Jong de grootste afstand afleggen. De andere afdelingen namen vlug hun opstellingen in. Bij iedere afd. waren twee Brens ingedeeld. Door de een of andere onvoorzichtigheid van een der soldaten van de doorzoekingslinie werd de wacht die de bevolking had uitgezet gealarmeerd, zoodat de bevolking voor het grootste gedeelte kon vluchten. In de looppas ging de doorzoekingslinie naar haar plaats, maar kwam te laat. Van te voren was afgesproken dat om half zes de kapitein Breemouer die zich bij de doorzoekingslinie bevond een handgranaat in de kampong zou gooien, het teken voor de andere afdeling dat de doorzoeking zou beginnen. Het doel van de doorzoeking was de Chinees met zijn helpers in handen te krijgen, die bewapend waren met onze karabijnen. De doorzoeking begon maar van de Chinees geen spoor. Het was hem gelukt met het grootste gedeelte van de mannelijke bevolking te vluchten. Na de hele kampong doorzocht te hebben werd het huis van de Chinees en die van zijn helpers in brand gestoken; de troep verzamelde zich weer en iedere afdeling ging terug naar zijn eigen plaats. Het zal begin juli 1942 [23 mei 1942] geweest zijn dat overste van Straaten bericht kreeg zich klaar te houden om op een zekere dag naar Beko [Beco] te gaan. De Overste en Lt. Schreuder met een paar soldaten moesten per vliegboot naar Australië  vertrekken. Kapitein Breemouer werd nu Cdt. van de Knil troepen op Timor. Ik wil nog even melding maken van het feit dat overste van Straaten even voor zijn vertrek naar Australië een briefje kreeg van de Japanse cdt. op Timor dat de overste op vriendelijke manier verzocht werd zich met zijn troepen over te geven, indien de Hollandse troepen er prijs op stelde familieleden enz. terug te zien. Indien de Overste zich zou overgeven gaf de Jap. cdt. zijn woord dat we als werkelijke krijgsgevangenen zouden worden behandeld. De overste kreeg een paar dagen bedenktijd. Vlug werden de Lts Zijlstra en Horstink gewaarschuwd en van het bericht in kennis gesteld. Onderwijl liet de Overste de troep op Tilomar aantreden en vroeg wat we wilden. Er werd door den overste geantwoord dat we al onze munitie voor de Jap. zouden bewaren doch de laatste patroon voor ons zelf. We wisten ook wel dat, als we ons zouden overgeven we toch afgemaakt zouden worden; de Jap had te veel dooden aan ons te danken. Ook de antwoorden van Lts Zijlstra en Horstink bleken eensluidend te zijn. De man, een Timorees die het bericht bracht, werd naar de Jap. cdt teruggestuurd met het antwoord van de overste dat we ons zouden doodvechten dan ons overgeven. Enkele dagen later [24 mei 1942] vertrok de overste naar Australië.

Het Japanse Augustusoffensief

Het zal in de eerste dagen van Augustus 1942 geweest zijn dat zowel in de lucht, op het land als te zee verhoogde activiteit van de Jap. werd waargenomen. Uit berichten van enkele betrouwbare Timorees hoorden we dat de Jappen besloten hadden het restant Holl. troepen grondig op te ruimen; wij werden beschouwd als rebellen die het Japanse gezag tartten en moesten worden opgeruimd. Men nam aan dat 95% van de Timoreese bevolking op de hand van de Jap. was. In Atamboea hadden de Jappen een leger van Timorezen afgericht speciaal getraind om in de jungle te vechten. De 10e Augustus 1942 werd van Beko [Beco] uit waar enkele Australiërs lagen, bericht gezonden naar Tilomar, dat drie Japanse scheepjes ongeveer vijf kilometer van Beko waren geland. Terzelfder tijd zat de Jap. in de lucht ook niet stil, evenmin te land. Op dien dag hoorden we van een bevriende Timorees dat de Jappen Tilomar, Dacola en Florign [Fohoren] wilden omsingelen en zoodoende ons over te geven. Tevens kregen we van het Austr. Hoofdkwartier bericht dat de groep Tilomar dien avond om zeven uur op stap moest naar Lolotoi een Portugese post twee dagen lopen van Tilomar, tevens werd er bericht dat we in Maukartar moesten wachten op de groep Dacola en Florign. Om zeven uur werd in alle mogelijke stilte afgemarcheerd in de richting Maucactar. Van te voren werd door Kapt. de Jong bekend gemaakt de toestand waarin we verkeerden. De kapitein van Zwieten [Swieten] was ’s morgens, wat levensgevaarlijk was, reeds de richting Lolotoi ingeslagen om het commando van de Austr. daar over te nemen. Overdag te lopen leek zelfmoord, de enigste kans die ons overbleef was ’s nachts door de gordel van Jappen, die steeds nauwer werd door te breken. Na de gehelen nacht doorgelopen te hebben, waarbij wij allemaal bij wijze van spreken op onze zenuwen liepen daar we elk ogenblik op Jappen konden stoten, kwamen we om 8.00 ’s morgens in Maucartar aan. De Cdt van het Portugese leger, Hr. Lopez [Lopes], een gepensioneerd kapitein van het Portugese leger, was ons in alles behulpzaam, hij zorgde dat de troep onderdak kreeg, eten e.d. dingen meer. Om 16.00 arriveerden de colonnes van Lts Zijlstra en Horstink. Ik moet nog even melding maken dat Kapt. Breemouer ’s middags om 17.00 met een afdeling van 20 man uit Tilomar was vertrokken om de weg te verkennen, naar Maucartar. Den volgende dag om 7.00 vertrokken de colonnes. Kapt. de Jong en de Lts Zijlstra en Horstink. Het zal ongeveer 17.00 geweest zijn toen we nog twee kilometer van Lolotoi waren. Aan de kali ongeveer tweehonderd meter breed werd gerust. We zouden juist weer op mars gaan toen we uit de richting automatisch vuur hoorde wat met mortier granaten beantwoord werd. Kapitein van Zwieten [Swieten] was slaags geraakt met de Jappen. Daar wij nog al wat achterblijvers hadden, waarop we moesten wachten, kreeg sgt. Schreurs opdracht met twee brigades vooruit te gaan, om de kapitein van Zwieten [Swieten] ter hulp te komen. Na een half uur hield het vuren op en zagen we Kapitein van Zwieten [Swieten] met zijn mensen terugkomen. De kapitein vertelde dat hij ’s morgens om 11.00 op Lolotoi was aangekomen en het commando van het Austr. hoofdkwartier had overgenomen. Om 14.00 vertrokken de Austr. naar Fiquece een plaatsje in het oostelijk gedeelte van Portugees Oost Timor. Om 17.00 zag de wacht op Lolotoi een afdeling Jappen naderen vergezeld van wel driehonderd inlanders. Het bleken verkenners te zijn. Daarachter kwam een sterkte van ongeveer vijfhonderd man Jappen. De kapitein van Zwieten [Swieten] liet het vuur openen waarbij enkele Jappen en inlanders sneuvelden. De Jappen hun automatisch vuur waarbij zij ook van hun mortieren gebruik maakten. Toen de Jappen zagen dat de kapitein van Zwieten [Swieten] ter plaatse bleef trachten de Jappen kapt. van Zwieten [Swieten] te omsingelen. Dus moest de kapt. met zijn mensen terugtrekken. De kapitein probeerde nog enkele zieken waaronder luit. Michelhof [Michelhoff] en sgt Bob [Bopp] die malaria hadden mee terug te voeren, doch de tijd ontbrak daartoe. Later hoorden we dat alle zieken door de Jappen waren afgemaakt. Dat was het verhaal wat kapitein van Zwieten [Swieten] ons deed. Wat moesten we doen? Verbinding met het Austr. hoofdkwartier hadden we niet, terug naar Macartar kon ook niet daar de Jap dat ’s middags ook bezet had. De omsingeling door de Jap was voltooid.  Onze gezamenlijke sterkte was toen ongeveer driehonderd man. Er werd beraadslaagd wat we moesten doen. Er werd besloten dat we met plukjes van vier of vijf man door de Japansche omsingeling zouden proberen heen te breken. Enkele plukjes gingen reeds weg, maar de meeste bleven bij elkaar. Van die plukjes die reeds waren weggegaan is nooit iets meer gehoord, of door de Jap of door de bevolking zijn ze afgemaakt. Gezamenlijk besloten we naar Bobonaroe [Bobonaro] te gaan om te zien of daar wat te eten was. Onbeschrijfelijk is de ellende die ik op deze tocht heb meegemaakt en gezien. Sommige jongens gingen aan de kant van de weg zitten om uit te rusten, doch we hebben ze nooit teruggezien. Na een hopeloze tocht kwamen we in Bobonaroe aan. Kapitein van Zwieten [Swieten] was met enige mensen vooruitgegaan met het doel levensmiddelen voor de troep in te kopen. Toen we daaraan kwamen was het stadje bijna uitgestorven, de bevolking van Bobonaroe die ons het langst was trouw gebleven was overgelopen naar de Jappen. Nu was er in de buurt van Bobonaroe nog één pad dat nog gevolgd kon worden, dat later bleek nog niet door de Jappen bezet was. We besloten dat pad te volgen, behalve Kapitein van Zwieten [Swieten] en vijftien man die achter zouden blijven, paarden zouden inhuren, levensmiddelen zouden kopen en ons de anderen dag zou volgen. Het was de laatste maal dat we kapitein van Zwieten [Swieten] met zijn mensen zagen: de avond voordat de kapt. van Zwieten [Swieten] ons zou volgen werd de kapt. en zijn mensen terwijl ze inkopen deden door enige Timorezen naar buiten gelokt onder het mom dat ze in een andere toko nog meer rijst konden kopen; even nadat ze buiten waren werden ze door Timorezen omsingeld, en voordat ze van hun wapens konden gebruik maken, gebonden [kapitein van Swieten en Jaap Bakker vertellen een ander verhaal] en naar Atamboea getransporteerd. In Atamboea woonde een Atjeher; de Radja van Atjeh, jaren geleden door kapt. van Zwieten [Swieten], die toen op Atjeh zat, voor het plegen van opstand tegen het Ned. Gezag levenslang verbannen was naar Timor. De radja was de doods vijand van kapt. van Zwieten [Swieten]. De radja had honderdmaal tegen de Jappen gezegd dat het hem koud liet of de Holl. troepen bleven leven, maar de kapt. van Zwieten moest en zou hij  vroeg of laat in handen krijgen. Toen we den dag daarna en ook de dag daarop niets van Kapt. van Zwieten hoorde, wisten we al hoe laat het was. Onze enigste hoop was Fiquece te bereiken waar de Ausies zaten. In een koffietuin op een dagmars en van Bobonaroe sloegen we ons bivak op, en bleven daar twee dagen, om voedsel bij elkaar te krijgen. Er was afgesproken dat iedere hogere cdt een afdeling onder zich zou krijgen. Als cdtn hadden we; lt Zijlstra, Lt Horstink, Lt Meis, Dr van Duijl van Atamboea, Smi Bootsma en Smi van Haren. Ieder ging dus zijn weg en moest zien hoe hij contact krijg met de Ausies. Ik behoorde bij de groept lt. Horstink 24 man sterk. Onze gezamenlijke sterkte was toen nog maar een goede 250 man. Op een gegeven dag het was al half October 1942 lagen we in een huis op een ladang, toen sgt. Bessems, die gewond was bij ons kwam. We waren toen al een dag of tien van elkaar af. Bessems deed het volgende verhaal; begin October [dit verhaal heeft zich half augustus 1942 plaatsgevonden] was de groep Boomsma bij een kampong aangekomen en had daar gefourageerd. Buitem [Buiten] werd overnacht en zou den dag daarop weer verder gaan. Om 7.00 ’s morgens kwam er een Timorees bij Smi Boomsma die zei dat er Jappen in de buurt waren. De Jappen waren dicht in de buurt op vijfhonderd meter afstand zei die Timorees, en als de toean even mee wilde gaan, kon de toean die Jappen van uit de verte zien. Smi Boomsma en Sgt van Harmelen en twee soldaten, Visser [fuselier Visser] en Hulzebosch [Hulsebos], gingen op stap. Wat er precies gebeurd is zal niemand wel ooit te weten komen, maar Boomsma met zijn mensen zijn nooit meer teruggekomen. Bessems was ongerust geworden en was met zijn mensen op verkenning gegaan. Bij een kali gekomen vonden ze daar acht Timorezen die aanboden Bessems met zijn mensen bij een plaats te brengen, waar Smi Boomsma en zijn mensen waren. Bessems een zijn mensen gingen op stap en hoe het kwam had hij nooit geweten maar plotseling liep achter iedere soldaat een Timorees. Op een gegeven ogenblik gaf een der Timorezen een sein en Bessems en zijn mensen werden aangevallen. Bessems kreeg met een parang een klap in zijn been boven de knie, Sgt Reij [sld Deij] kreeg een steek in de rug, en sgt Hoomeijer [Homeijer] zijn peezen in de knieholte werden finaal doorgesneden. In de paniek die ontstond stoof een ieder uiteen en vluchtte. Reij [Deij] die bij Hoomeijer [Homeijer] liep bleven bij elkaar. Hoomeijer [Homeijer] die niet meer kon lopen zakte in elkaar. Reij [Deij] wilde Hoomeijer [Homeijer] niet verlaten en verbond de wond zoo goed en kwaad als het ging met een stuk van zijn hemd. Bessems, die slechts licht gewond was, stelde voor, met enige mensen die hij weer had kunnen verzamelen, hulp te zoeken, en zoo kwam toevallig Bessems bij ons op de ladang. De Lt Horstink liet direct een patrouille uitrukken om Hoomeijer [Homeijer] en Reij [Deij] op te halen. Om 14.00 kwam de patr. terug met Reij [Deij], hij deed het verhaal, dat Hoomeijer [Homeijer]  lam was dus niet kon lopen. Hoomeijer [Homeijer], die wilde dat Reij [Deij] maar weg moest gaan, omdat er aan hem (Hoomeijer) [Homeijer] toch niets meer gedaan kon worden, hij had ook al veel bloed verloren, moest hem maar aan zijn lot overlaten. Reij [Deij] wilde daar echter niet van horen. Op een gegeven ogenblik zei Hoomeijer [Homeijer] dat hij dorst had, Reij [Deij] ging op zoek naar water en nauwelijks was hij weg of Hoomeijer [Homeijer] greep zijn Tommy gun en schoot zich zelf dood. Dat was het verhaal wat Reij [Deij] aan ons deed. Den volgende dag wilde Lt. Horstink de kampong gaan bezoeken waar Smi Boomsma had gefourageerd. Met twaalf man gingen we op stap en bereikten om 16.00 de kampong. Door allerlei vragen, waarbij de Sgt. Tahaparij zich bediende van de Timorese taal kwamen we er achter dat één de kerels er meer van wist. Eindelijk bleek dat Boomsma en van Harmelen door enige Timorezen naar een plaats waren gelokt waar beiden werden afgemaakt. De moordenaars werden na veel moeite ingerekend en gebonden, en naar de plaats der misdaad gebracht. Een der moordenaars trachtte te ontsnappen, maar eer hij tien stappen had gedaan werd hij door Lt. Horstink neergeschoten. Eindelijk wamen we op de plaats aan waar Boomsma en van Harmelen [volgens Jaap Bakker heeft van Harmelen, na te zijn verwond, zichzelf van het leven benomen] lagen. Beiden waren op een afschuwelijke manier afgemaakt; de ontbinding was al begonnen en de stank was ondragelijk. Beiden lijken werden in een droge sloot gelegd, met stenen en bladeren bedekt en na een korte grafrede werd voor beide doden het geweer gepresenteerd. We gingen terug naar de kampong roofde alles wat er aan eten te vinden was, en staken de boel in brand. De moordenaars werden gebruikt als dragers van de levensmiddelen; zij waren gebonden doch aan onze gordels was het eind van het touw vastgemaakt, zoodat ze toch niet konden ontsnappen.

Halverwege waar ons bivak was werd halt gehouden, de moordenaars moesten hun barang op de grond zetten en toen werd z.g. krijgsraad gehouden worden. Er werd besloten dat de moordenaars doodgeschoten zouden worden. Toen de sgt. Tahapary hun dat in hun taal bekendmaakte, vielen zij op hun knieën en smeekten om genade. We maakten de touwen waarbij de moordenaars aan onze gordels vastgemaakt waren los, en bonden ze aan bomen vast. De moordenaars, vijf in getal, probeerden nog een poging los te komen maar het hielp niet. Het z.g. vuurpeleton bestaande uit sgt Bessems, sgt de Graaf, sgt de Bree en sgt Vrijens en ik plaatste ons ieder voor een gevangene en zonder nader commando werden ze doodgeschoten. We lieten ze aan de boomstammen hangen en vervolgden onze weg. Van de soldaten Hulzebosch [Hulsebos] en Visser [Visser 1] is nooit meer iets gehoord, ook zij zijn of door de Jappen of door de bevolking afgemaakt.

Periode tot en de evacuatie

Het was in begin November 1942 dat we door een grote Japanse macht werden verdreven uit de ladang, en moesten weer verder trekken. De tijd die we toen als opgejaagde dieren moesten doorbrengen is bijna niet te beschrijven. Contact met andere groepen hadden we al lang niet meer. Na steeds opgejaagd te zijn en door de Jap en door de bevolking kwamen we eindelijk in het meest Oostelijk gedeelte van Timor aan. Om ons te bewegen hadden we nog slechts een streek van veertig kilometer in het vierkant. Steeds werden we van de ene plaats naar de andere opgejaagd. Zoo naderde de maand December 1942. Op zekeren dag kreeg Lt Horstink van kapt. Breemouer bericht dat hij zich naar een plaatsje dicht bij Betano aan de Zuidkust moest begeven. Tegelijkertijd werd aan alle andere afdelingen hetzelfde bericht gestuurd. Nu is het een feit dat de Timorezen in de Oosthoek van Timor betrouwbaar waren, natuurlijk omdat zij nog geen kennis met de Jap hadden gemaakt. We vertrekken dan naar bedoelde plaatsje en vonden daar kapt. Breemouer. Lt Zijlstra was er nog niet, van Haren echter wel en ook Dr van Duijl, tevens was daar ook een grote afdeling Ausies. Den volgende dag hoorden we dat Lt Stol [Stoll] vanuit Atamboea het gelukt was met een prauw naar Australië over te steken. In [eind] October was Lt Stol [Stoll] met een Australis korvet en dertig [63] Knil militairen vertrokken met levensmiddelen, wapening en munitie naar Timor om ons te helpen en de nodige zieken en gewonden naar Australië te evacueren. Het was een waagstuk van Lt Stol maar toch wilde Lt het proberen. Helaas op weg naar Timor werd het korvet [op 1 december 1942] door Japanse vliegtuigen aangevallen, door luchttorpedo’s tot zinken gebracht en verging met man en muis in de Timor zee. Dat was de zwaarste slag die we hadden kunnen hebben. We waren al aan het eind van onze krachten. De dagen die volgden werden doorgebracht met eten en niets doen. Gepatrouilleerd werd er niet meer. Slechts de Ausies gingen er af en toe op uit, niet om de Jappen te ontmoeten doch om ons tegen overvallen te behoeden. Om alles vol te maken kregen de meeste nog buikziekten er bij. Medicijnen waren er bijna niet meer. Op de 7e December 1942 kwam er voor het Austr. hoofdkwartier uit Australië bericht dat alle troepen in den nacht van 9 op 10 december aan de kust moesten verzamelen daar er twee korvetten [met daarop Stoll] zouden komen om ons af te halen om naar Australië te worden geëvacueerd [de data gelden voor de evacuatie met de Tjerk Hiddes]. Om twaalf uur dien nacht was alles aan het strand. Het werd 1.00, het werd 2.00, het werd 3.00 en eindelijk kwam het bericht dat beide korvetten waren uitgevaren maar op tweehonderd mijl buiten de kust van Australië door Jap. onderzeeërs waren getorpedeerd. Tevens werd geseind naar de oude plaats terug te gaan en te wachten op nader bericht. De tijd tot de 15e December werd in ledigheid doorgebracht. Het schijnt dat de Jappen toch de lucht hadden gekregen dat er iets gaande was. Steeds nader kwamen de Jappen,  nu waren we aan drie kanten omsingeld en met de zee voor ons. De 13e December begon het te regenen en dat is ons behoud geweest. Twee dagen en twee nachten regende het. Tussen ons en de Jappen was een grote rivier, die begon te bandjieren, zoodat de Jappen er niet over konden. De 15e December kwam weer bericht ons klaar te houden; er zou een schip komen om ons weg te halen; wat voor schip het zou zijn werd niet geseind. Om twaalf uur was alles aan de kust van Betano. De regen had opgehouden maar de kali bandjierde nog steeds.

Het werd 1.00, het werd 2.00 [10 december 1942] nog niets te zien. De meeste van ons waren wanhopend; voor ons de zee, achter ons de Jap, wel bandjierde de kali nog, maar dat kon iedere ogenblik afgelopen zijn. Iedereen tuurde angstig en gespannen naar de zee. Plotseling, het zal kwart over twee geweest zijn, zagen we een fractie van een seconde een lichtschijnsel, wat door kapt. Breemouer met een centerlamp werd beantwoord. Het scheen een schip te zijn, maar wat voor een schip. Na een kwartier hoorden we geplas van roeispanen die naderden. Steeds dichterbij kwamen de sloepen. Plotseling hoorden we, op zijn plat Amsterdams een paar kernachtige vloeken, wat wij beantwoorden met een geschreeuw en een gejuich. Vlug werd door ons wat droog hout bij elkaar gehaald en een vuur gemaakt. Bij het schijnsel van de vlammen zagen we zes grote sloepen bemand met Hollandse matrozen. Bij navraag bleek het dat Hr Ms Torpedojager “Tjerk Hiddes de Vries” klaar lag om ons op te nemen. Vlug werd met embarkeren een aanvang gemaakt. Om kwart over drie was alles aan boord, Hollanders en Australiërs, de steven werd gewend en met volle kracht ging het Australië tegemoet waar we de 16 December 1942 om 14.00 in Darwin aankwamen. Van de 596 Knil militairen die bij het begin van de actie op Timor hadden deelgenomen, kwamen er 192 in Australië aan. Later hoorden we dat op dezelfden nacht dat we geëvacueerd waren, twee uren later de Jap op de plaats aankwam die we hadden verlaten.

Hollandia, 28 Juli 1948.

Naar waarheid opgemaakt,

Hoornweg.

A00I Inf 87557.

Stamboekgegevens Andries Hoornweg

Andries is geboren te Rotterdam op 4 september 1900. Hij krijgt dezelfde voornaam als zijn op 19 augustus 1899 overleden bijna 10 maanden oude broertje. Zijn vader is Cornelis Hoornweg en zijn moeder Hendrika Sophia van Stek. Op 16 januari 1929 verbonden en 18 maart 1929 geschikt voor uitzending als soldaat voor den Overzeeschen militairen dienst met Stamboeknummer 87557. Andries was toen 1,677 meter lang.
Vertrokken op 9 april 1929 met het stoomschip Johan de Witt en aangekomen te Batavia op 12 mei 1929. Op 18 maart 1934 als sergeant herverbonden voor 6 jaren.
Andries komt met Europees verlof op 18 mei 1936 in Rotterdam met de S.S. Dempso aan en is op 7 oktober 1936 met het M.S. Baloeran in Indië teruggekeerd. Net als alle medestrijders ontvangt Andries voor zijn deelname aan de guerrillastrijd op Timor het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met gesp “Timor 1942”.
Met de Brent komt Andries op 3 december 1949 als adjudant onderofficier in Nederland aan. Wegens opheffing van het KNIL wordt hij op 27 december 1950 eervol uit militaire dienst ontslagen en een pensioen toegekend. Zijn vader en later zijn moeder zijn dan al overleden. Zijn zwager K. van Zijl, wonende aan de Nieuwe Binnenweg 167 te Rotterdam, is dan contactpersoon. Op 10 december 1951 krijgt hij nog de Zilveren medaille voor trouwe militaire dienst toegekend.

In het Dagboek Nederlandse troepen te Timor vanaf 28-3-1942 staat op 28 April 1942 het volgende:

De sergeant Hoornweg werd door vallen, waarbij zijn pistool mitrailleur afging, aan het been niet ernstig verwond.

Over de periode voor en na Timor weten we weinig over Andries. Ook over de periode na pensionering.

Wij roepen familie en kennissen van Andries op om informatie over en foto’s van Andries met ons te delen. We kunnen hiervan dan een Persoonlijk Verhaal maken. 

Gerard van Haren

Een reactie plaatsen

Your email address will not be published. Required fields are marked *