Skip to content

1. Dagboek aanvangende 7 December 1941

Begonnen in Australië op 6 juli 1943 in Australië uit kladdagboeken en aantekeningen en nadien verder bijgehouden.

Door: N.L.W. van Straten Luit. Kol Inf. K.N.I.L

Handgeschreven dagboek aanvangende 7 December 1941

Transcript: Robbert van Leeuwen. Naar eer en geweten overgenomen, maar soms komt het voor dat ik iets niet kan lezen of dat ik het verkeerd overschrijf. Verouderde schrijfwijzen en spelfouten worden exact overgenomen. Overgetypt van zelfgemaakte foto’s uit 2021 met m’n Samsung S21 in het NIMH te Den Haag.

Bron: Nederlands Instituut voor Militaire Historie, Den Haag, Collectie: Nederlands-Indië contra Japan, toegangsnummer 508, inventarisnummer 2.13 Timor, map 765: Dagboek van luitenant-kolonel N.L.W. van Straten over de gebeurtenissen op Timor.

[Aanvullingen]: Gerard van Haren

Opmerkingen:

– In het dagboek wordt een datum met cijfers (b.v. 7-12-1941) aangegeven. Voor de uniformiteit gebruiken wij de huidige schrijfwijze (7 december 1941).

– onleesbare tekst wordt aangegeven met ?

Afkortingen:

S.b.N.=Schout bij Nacht (vice-admiraal)

L.C.A.= Legercommandant Australië (wnd Commandant der Nederlandsch Indische Leger-Strijdkrachten)

O.B.S.O.= Onderbevelhebber Strijdkrachten Oosten

G.G.=Gouverneur Generaal 

Dagboek

7 december 1941
Ben sinds eenigen tijd belast met de voorbereidingen van een expeditie tegen Portugeesch-Timor. Allerakeligst geheim. Zal uitgaan als de Japansche penetratie aldaar gevaarlijk begint te worden. De Australiërs zullen meedoen. Breemouer is mijn chef staf, Zijlstra adjudant en Schreuder intendant. Heb bovendien een tweede baan voor het geval Port. Timor niet doorgaat, n.l. chef staf van de Preanger Stellingen onder Pesman. Troep voor Timor gaat hoofdzakelijk door de lucht, hetgeen morgen qua inladen zal worden beoefend in Malang. Weshalve op dato per nachttrein daarheen.

8 december 1941
Om 6.30 overgestapt op de Malangexpress. Aan het station een ochtendblad gekocht. Japsche vloot gezien zuid van Indo-China. Verder niets. Om 9.00 in Malang en een kamer genomen in [ontbreekt]. Ontbeten. Men is druk aan het voorbereiden van de verduistering van het hotel, maar verder merk ik niets bijzonders. Werd door hotelhouder zelf ontvangen, die niets zegt. Op 9.30 naar Staf III Div. Vóór het gebouw een wacht van het reservekorps met levensgroote bajonetten op ’t geweer. Ik vraag nog aan den sergeant-commandant of ze aan het oefenen zijn. Grijnst een beetje maar heeft waarschijnlijk gedacht, dat ik gek was. Op Reemers kantoor zeker 10 minuten gepraat met hem en Gottschall vóór ik merk, dat we in oorlog zijn met Japan. G.G. heeft om 6.30 voor de radio gesproken; Pearl Harbor, Hong Kong, enz. Daar zul je wekenlang bij elke nieuwsuitzending aan de radio hebben gehangen en op het moment supreme in den nachttrein zitten! Vraag een dringend gesprek met Bandoeng aan, dat nog vrij gauw doorkomt. Oefening gaat natuurlijk niet door. Nadere orders afwachten. Staf III Div. gaat vandaag nog over naar Soerabaja en ik ben de eenige, die het niet druk heeft.’s Avonds naar Karel en Tine en naar Wil en Sis. Malang is stikdonker en ik loop twee keer een verkeerd huis binnen op weg van K. en T. naar W. en S. zegge en schrijve 100 meter.

9 december 1941
Bedenk mij midden in den nacht, dat Bandoeng wel eens kan opbellen, dat ik met de eerste trein terug moet en dat ik niet weet, hoe laat die vertrekt. Duik dus met center, bril en spoorboek in de kleerenkast, zoodat de Japs ’t niet kunnen zien. Het vertrek van de eerste trein is rijkelijk vroeg, maar het hoeft gelukkig niet. VII A belt in den loop van den morgen pas op: terugkomen naar Bandoeng. Zoodat ’s avonds weer in den nachttrein.

10 december 1941
Aangekomen en naar kantoor. Doorgegaan met voorbereiden Dilly-expeditie. Sfeer op het D.v.O. is betrekkelijk rustig.

11 december 1941
Ik verhuis naar de operatiekamer, aangezien de staf te vol wordt. Heeft het voordeel, dat ik alles wat er in de Pacific gebeurt, uit de eerste hand krijg. De Engelschen zijn op Malaka wel buitengewoon slecht voorbereid. Het aantal vliegtuigen is belachelijk klein. Wij springen bij voor zoveel we kunnen, ook met marine-eenheden.

14 december 1941
’s Morgens bespreking met Ir. Brouwer, die op Dilly zit als directeur van een Portugeesche dochtermaatschappij van de B.P.M. en bestemd is, om Ned. consul te worden. Om 11:45 komt er een telefoontje van den G.G., dat ik over 3 kwartier bij hem in Batavia moet zijn. Een vliegtuig staat voor me klaar op Andir. Ik ben om 1 uur in Batavia. G.G. woont in het huis van Brandenburg van Oltsende. Ik wordt ontvangen door Loutje Lanzing. Bij G.G. zijn mede aanwezig Adm. Helfrich en van Boetzelaer van de Secretarie. Er is nu op eens haast bij de expeditie. De troepen van Java zullen wel nakomen en ik moet Dilly bezetten met een handjevol Koepangtroepen, een compagnie Aussies en Marine. Jawel, als de Portugeezen zich niet verzetten, zal ’t wel gaan, maar anders voorzie ik ongelukken. Helfrich wil ’s nachts landen, wat ik pertinent weiger: ik ben niet van plan om in donker op een kust te stappen, waar niemand den weg weet behalve de eventuele tegenpartij. Gelukkig is de G.G. het met me eens. ’s Middags de zaken uitgewerkt met chef Marinestaf, v. Staveren. Behalve HM. Soerabaja krijg ik H.M. Canopus voor de parlementairs. Met de avondtrein terug naar Bandoeng. In Tjikampeh (onleesbaar van) luchtalarm, een luguber geheel met stoomfluit en stationsklok compleet. Gelukkig rijdt de trein door. Bandoeng hartstikke donker. Ga eerst naar C.G. daarna naar C.P., die beide thuis. Hun verteld, dat dit alleen maar mis kan loopen, als de Portugassers zich verzetten. Ter Poorten maakt een nonchalante indruk, Bakkers een domme: was dit trouwens al sinds het overlijden van z’n vrouw. Daarna door naar D.v.O. (Departement van Oorlog); conferentie met Mantel en den Australischen liaisonofficer, Thomas. Om 1 uur naar huis, waar Nell nog op. Was helaas door Mantel gewaarschuwd dat ik naar den G.G. was en had dus wel begrepen, waarom ’t ging.

15 december 1941
Om 6.30 de dienstauto voor: Nell in V.A.C. [Vrouwen Auto Corps] uniform mee om onze wagen, die ik gisteren op  Andir [vliegveld bij Bandoeng] heb laten staan, mee naar huis te nemen. Afscheid op Andir. Niet zoo best, maar Nell hield zich kranig. Met legervliegtuig naar Soerabaja, alwaar Schreuders opgepikt met een Catalina van de marine door naar Koepang; alwaar om 4.00 ’s middags aan. Met Detiger naar ’t vliegveld Penfoei, waar een deel van de Javatroepen, o.a. het artilleriepersoneel onder de Winter, aangekomen. De kanonnen zijn al a/b/ v/d Soerabaja, die al eenigen tijd in de buurt van Timor kruist.                                                 

’s Avonds bespreking in de passangrahan met de Cdtn van Hr.Ms. Soerabaja (Cornelis) en Canopus, de Resident, Detiger, de Austral. Cdt. van Koepang (Col. Leggets)[Leggatt], de cdt. van de Austr. cie, die mee gaat (adj. Spence) en vele anderen. ’n Menigte moeilijkheden: de G.G. heeft een Ned. meerderheid geeischt, die alleen bereikt kan worden – nu alle Javatroepen er nog niet zijn – als de Aussies een deel van hun cie. achterlaten voor het tweede echelon, wat ze eerst niet willen. Voorts kan ik eigenlijk die heele Cie. niet gebruiken (N2.2 Australian Independent Coy) zijnde deze alleen opgeleid voor guerilla en niet voor stellingverdediging. Maar ze willen geen andere geven. Om 1 uur naar bed. Veel te veel gerookt en ’n uur of 2 dr. Hekking laten komen, die mij met ’n spuitje opfrist. Mag voorloopig niet rooken. Hoe kan ik dan Dilly veroveren?

16 december 1941
Merkwaardig veel beter. Als je zoo’n dokter maar zegt, dat ’t moèt, hebben ze nog wel middeltjes, die ze anders niet gebruiken. Om 10:00 ingescheept op HM. Soerabaja. Detiger en Legget gaan vooruit op de Canopus om de Portugeeschen Gouverneur den eisch tot toelating onzer troepen over te brengen. Ik lig in de hut van Cornelis op ’n veldbed: de scheepsdokter doet net of ik half dood ben: is door Hekking ingelicht. Bespreking met alle Ned. en Australische officieren. Ik dicteer de landingsorders van ’t veldbed. ’n Mooi begin.

17 december 1941
Al vroeg radio bericht, dat de parlementairs aan zijn. De Gouverneur vraagt een uur uitstel. Aangezien we toch wat achter zijn op ’t schema, sta ik dat toe. Als ’t uur om is, horen we achter niets. Ik sein aan de Canopus: ˶wat is het antwoord˝, waarop we hooren, dat de Gouv. nog ½ uur uitstel vraagt. Ditmaal weiger ik. We varen de Port. territoriale wateren binnen. Twee onbegrijpelijke telegrammen één waaruit wel, één waaruit geen tegenstand zou zijn op te maken. Voor de zekerheid besluit ik, rekening te houden met weerstand en te landen 4 km west van Dilly, op een punt, voor het geval van Port. tegenstand uitgezocht. Tijdens de landing van het 1e echelon komt de Canopus terug met Detiger, Leggets, en de Britsche consul in Dilly, Ross, aan boord. Het blijkt, dat de Gouverneur protesteert, uit gebrek aan middelen geen daadwerkelijke tegenstand zal bieden en een onderhoud met mij vraagt alvorens onze troepen Dilly binnenrukken. Ik ga daarom niet met het 2eechelon aan wal – zooals eerst mijn bedoeling – doch vaar met de Soerabaja de baai binnen. Ik sein aan Spence, Dilly binnen te rukken als hij na één uur niets van mij gehoord heeft en ga daarna met Ross en een dekking van twee fuseliers naar het ˶paleis˝ van den Gouverneur, dat in Lahane ligt ± 2 km zuid van Dilly. Veel moeite om de twee fuseliers, Amboneezen met getrokken klewang, er toe te brengen, niet mee naar binnen te gaan. Gouverneur, Manuel d’Abreu de Ferrari de Cavalhos, is uiterst zenuwachtig – ik ook wel ’n tikkeltje – en zeer verbolgen: zei gevraagd te hebben om een onderhoud vóór de landing, wat Ross pertinent ontkent. Manuel noemt ons optreden agressie – helemaal ongelijk heeft-ie niet – en wil z’n functie neerleggen. Zoo iets van ˶ik ga naar huis, ik ga naar bed, ik heb er niets meer mee te maken.˝ Ik overreed hem na veel gepraat, half in ’t Fransch en half in ’t Engelsch, om in functie te blijven, tot hij nadere instructies uit Lissabon heeft. Ik sta hem toe, die in code te vragen. Beding verder binnenrukken in Dilly, versterken van de plaats en internering van de Japs. Natuurlijk geeft hij toe, want hij moet wel. Om 4.30 n.m. rukken de troepen Dilly binnen. De Aussies blijven bivakkeeren op het vliegveld en ik trek met onze menschen in de galerij om het postkantoor. We interneeren 28 Japs. en twee moffen en stoppen ze in het gebouw van de Japansche luchtvaartmaatschappij. De Jap. consul en z’n staf laat ik in het consulaat, waar een wacht omheen wordt geplaatst, nadat alle papieren in beslag zijn genomen. Intusschen beginnen we met het ontladen van de barang en de artillerie, wat de heele nacht voortduurt en een helsche verwarring geeft op ’t kleine piertje. Het is stikdonker en bovendien hondenweer: wind en stortregen. Ik licht den G.G. en den legercdt [legercommandant Generaal ter Poorten] telegrafisch in via de radio van de Soerabaja en probeer wat te slapen, wat niet lukt. De galerij van ’t postkantoor lekt als ’n mandje en daardoor m’n klamboe ook.

18 december 1941
Om 3.30 ’s nachts laat ik me naar boord brengen en krijg van de officier-van-de-wacht een kop koffie. Heb nog nooit zo’n behoefte aan dergelijk vocht gehad. Verzorg het ontbijt voor de troep, dat door de Soerabaja zal worden geleverd. De rest van den dag gaat voorbij met het uitzoeken van bivaks en het nemen van veiligheidsmaatregelen daaromheen. Ik vestig mijn hoofkwartier in het gebouw van de Asiatic Investment Company, het eenige behoorlijke gebouw in Dilly. Het is van een maatschappij in Manila, die een Duitscher als manager heeft. Aangezien onze gastheer derhalve gisteren geïnterneerd is, hebben we het rijk alleen.

19 december 1941
Telegram van de 1e Gouvts secretaris, dat de Regeering mijn optreden tegen Gouv. goedkeurt. Daar alles ontladen en min of meer gesetteld is, laat ik de Soerabaja vertrekken. De Canopus was al weg.

20 december 1941
Telegram – nu via onze eigen radio – dat de Javatroepen op 22 December zullen aankomen. Alvorens voor hen kwartier te doen maken, bied ik Spence plaats in de stad aan voor z’n Aussies. Wie het eerst komt, ’t eerst maalt. Hij prefereert echter, op het vliegveld te blijven, wat later door z’n menschen nogal kwalijk genomen is, naar ik hoorde. Behalve het gebouw van de A.I.C. nemen we, na eenig geharrewar met den Gouverneur, de Chineesche school, de Portugeesche lagere school, de Casa de Portugal, een soort feestlokaal en nog een paar huizen in beslag. Ik verdeel de troep in drie detachementen, bestemd voor de bezetting van oost-, midden- en westvak van de stelling, en een reserve.

21 december 1941 tot ongeveer 10 februari 1942
Een tijd van betrekkelijke rust, doorspekt met allerlei soesah. Er wordt hard aan de stelling gewerkt, die zich uitstrekt van de westrand van het vliegveld tot de oostzijde van de baai, alwaar we een soort rotsvesting maken. De artillerie staat bij de vuurtoren, waar de troepen van het detachement bivakkeren, eerst onder Van Buuren, die geevacueerd wordt met een gebroken been, daarna onder de Jong, die hem komt vervangen. Horstink ligt met het middendetachement in de lagere school en een paar huizen, Meis met de reserve in de chineesche school en Stoll met het oostdetachement in en om het stafkwartier. De Portugeezen blijven strikt neutraal, wat de officials betreft: de Gouverneur komt nooit meer in Dilly, doch doet alles van Lahane uit. Overigens ontdooit hij wat en geeft mij bij de vele klachtconferenties zelfs ’n sigaret, waarna ik minstens vier van mezelf noodig heb om de smaak weer kwijt te raken. Zijn a.d.c., [ad de camp] Captano Viera is echter zijn evil eye, pro-as en doet ’n hoop kwaad. Verder stookt de as in Lissabon nogal hevig, wat zelfs een officieele klacht via Londen ten gevolge heeft, waarop de G.G. den Resident van Koepang zendt voor een onderzoek, dat echter geheel in mijn voordeel afloopt. Ik heb hierbij veel steun van de Britse Consul. Overigens gaat het met die consuls niet te best: de Britsche heeft ruzie met de Nederlandsche en hoewel ik beide op den dag na de bezetting bij me heb laten komen hun verteld heb, dat dat nu maar uit moest zijn, blijft men wat gefroisseerd tegenover elkaar. Het oorlogsnieuws is niet best, maar het meerendeel van ons blijft optimistisch ten aanzien van Java, ook al door de – later onwaar blijkende – geruchten over enorme geallieerde versterkingen.
Toch wordt de verveling op het laatst hinderlijk; het zondagsche vis vangen met dynamiet noch de sporadische bezoeken van Koepangers vermogen er iets aan te veranderen. Het is dan ook een opluchting, als we bericht krijgen, dat de Regeeringen in Europa overeen zijn gekomen, ons terug te nemen, zoodra Portugeesche versterkingen uit Afrika zijn aangekomen om de neutraliteit te handhaven. We maken een sweepstake op den datum van aankomst en op een kaartje in het stafkwartier wordt dagelijks de vordering van het Portugeesche konvooi bijgehouden. Intussen plukt men van Java uit aan mijn sterkte: de helft van de pioniers gaan terug, Muusze wordt vervangen door Begeman en ik moet als maar opgeven, wat ik nog meer kan missen. Ik antwoord herhaaldelijk, dat de zaak met de huidige sterkte tegen een eenigszins ongunstige Jap. aanval al niet te houden is, maar daar trekt men zich niets van aan.

10 februari 1942
Eindelijk de vijand. Twee jap. jachtvliegtuigen breken al mitrailleerende de verveling. Ze raken niets, aangezien alles in de schuilloopgraven zit: het luchtalarmstelsel werkt bevredigend, maar wij raken hun ook niet, hetgeen jammer.

11 tot en met 18 februari 1942
Ik krijg opdracht, de terugtocht over land voor te bereiden als de Portugassers ons aflossen: scheepsgelegenheid is niet meer beschikbaar. Ik stuur Stoll naar Hatolia en organiseer een paardentransport daarheen om een voedsel en munitiedepot te maken: kan zoowel bij een terugtocht als bij de guerilla dienstdoen. Begeman moet een overgang over een rivier verkennen voor een terugtocht langs de kust en ik koop een motorboot, om te probeeren onze zware uitrusting, die ik anders zou moeten achterlaten, over zee naar Atapoepoe te brengen. Strik maakt zich verdienstelijk met de proefvaarten, waarvan er een gelukt en een – met een gesleept vlot – mislukt.
De Aussies gaan terug op 40 km van Dilly, met achterlating van een sectie op het vliegveld onder MacKenzie. Ik ben het er niet mee eens, maar de bevelsverhoudingen zijn nooit goed geregeld en ik kan niet meer doen dan overleggen. Eigenlijk is Spence het wel met me eens en belooft, een platoon tussen ons in te leggen. Zoover zal het echter niet meer komen. De Portugeesche aflossingstroepen passeren de Straat Soenda ± 12 Februari.

19 februari 1942
Gedurende den dag niets bijzonders. ’s Avonds eten we eten we Breemouer uit, die volgens opdracht van Bandoeng morgen over land naar Koepang moet met bestemming Java. Capt. Callinan is ’s middags eenige dingen komen bespreken – o.a. de hergroepering van de Aussies – en zal blijven logeeren. Ik vraag Ross er ook bij, die ongeveer om 10 uur naar huis gaat, waarop wij allen te ruste. Ik ben nauwelijks in slaap, als Zijlstra me weer wekt (± 11.15 n. m.) de Jong meldt het geluid van dieselmotoren en het afloopen van ankerkettingen, door zijn schildwachten gehoord. Midden in de Baai zijn wat lichtschijnsels te zien, vermoedelijk seinen van een overigens onverlicht vaartuig. De artillerie meldt vuurmogelijkheid op silhouetten van schepen. Een oogenblik denk ik nog aan het Portugeesche convooi, maar kan mij toch niet indenken, dat ze onder deze omstandigheden onverlicht en onaangekondigd zullen binnenloopen. Als ’t toch zoo is, moeten ze het zelf maar weten. Zien kan ik niets, want onze ongelukkige zoeklichten zijn alleen maar voldoende om de eigen opstelling te verraden. Dus laat ik de artillerie het vuur openen, na alarm te hebben gelast in alle bivaks. We betrekken de loopgraaf voor het stafkwartier nog niet, maar ik laat vast de telefoon daar inschakelen. Nauwelijks heeft onze artillerie den eersten laag afgevuurd of het vaartuig in de baai werpt er twee zoeklichtbundels op (dat waren wèl zoeklichten) onmiddellijk gevolgd door een salvo. Dus Jappen. Even later komen de zoeklichten het stafkwartier beschijnen: het is of er ineens tientallen 100-watt lampen worden aangestoken. Direct daarop vliegen de eerste granaten er in. Naar schatting minstens 10 c.m. en behoorlijk raak. Het heele kwartiermeesterskantoor in puin en een ontzettend lawaai in het holle gebouw. We gaan er dan maar uit hoewel ik nog een paar dingen uit m’n kamer had willen halen na ’t haastige opstaan. De mitrailleurs zijn zeer vlug in stelling aan de kust, waarschijnlijk tot ons geluk, zooals later blijkt. Intusschen vuurt de Jap door: aan de geringe hoogte van z’n zoeklichten boven het water te oordeelen, is het een duikboot, die de baai is ingevaren. De heeren zijn behoorlijk ingelicht: de heele oosthelft van m’n stafkwartier gaat er aan: de westhelft blijft gespaard, want daaraan grenst het huis van de Jap. consul, die daar met z’n staf zit opgesloten. Ook onze artillerieopstelling krijgt er van langs, alleen schieten de Japs daar gelukkig te hoog: er komt maar één treffer in de borstwering van het eerste stuk, dat zooveel zand opgooit, dat het sluitstuk er uit moet worden genomen, wat een paar kanonniers, staande op de borstwering, rustig doen. Verder is het daar ook niet alles, want de oude stukken hebben geen inrichting voor nachtelijk vuur, zoodat de bediening met lucifers de richtmiddelen moet verlichten: anders zouden te zichtbaar zijn. Toch vuurt men rustig door. Vlak voor ons worden sloepen gehoord, waarop onze mitrailleurs het vuur openen: de vijand antwoord nu ook met mitrailleurs. Ik krijg al direct een paar zwaar en lichtgewonden en één doode. Breemouer krijgt een schot in z’n arm, wat-ie eerst ’n kwartier later merkt. Vlak bij mij ligt een gewonde om hulp te roepen: blijkt later de sgt. Stiksma te zijn geweest met beide beenen doorschoten (± 22-2-42 overleden). Er komt geen hulp, weshalve ik de doktoren en ziekendragers een nummertje uitvloek, wat eindelijk helpt. Het blijkt, dat een groot gedeelte van het oostdetachement op de eerste granaten is gevlucht, hoofdzakelijk inheemschen, doch ook een paar Europeanen. Een paar man kader hebben met het pistool in de hand de vlucht nog trachten te beletten, wat alleen bij de Eur. ziekendragers gelukte. Intusschen ligt de duikboot te seinen, waarop we niets meer merken van sloepen. Vermoedelijk heeft men een verassende landing in de baai bedoeld om het hoofdkwartier te overvallen, wat door de waakzaamheid mislukt is. De schildwachten hebben het overigens ook goed gedaan: midden in het gevecht komt Dr. Bloemsma klagen, dat een schildwacht met een doorschoten been niet van z’n post wil om behandeld te worden. De Jap blijft vlijtig doorvuuren: een paar granaten vliegen vlak boven ons hoofd in een paar waringins [vijgenboom]. Gelukkig hebben ze geen versnelde buizen, zoodat we alleen maar ’n hoop takken en vuil op ons hoofd krijgen, al verwachten we elk oogenblik een hardere substantie. Als de Japs met versnelde buizen hadden geschoten, was – zooals Bopoe ‘t later uitdrukte, de heele club er aan gegaan. Toch is het geen prettige gewaarwording, maar het went toch en is niet overmatig opwindend, wat wellicht kwam door mijn voortdurende ergernis, dat een deel van het oostdetachement gevlucht was. Had ik toen geweten, wat er eigenlijk aan de hand was, dan had die ergernis toen plaats gemaakt voor een wanhopig gevoel van onmacht: maar dat zou nog wel komen: voorloopig denken we alleen nog maar aan duikboot die zich op onze kosten wil amuseeren. Om ± 2.30 ’s nachts komt er evenwel een ordonnans van de Jong (de telefoon is kapot en de uitgezonden herstellingspatrouille heeft ’t blijkbaar nog niet kunnen maken), die meldt, dat in de richting van de Comoro monding beweging van lichten wordt gezien. Men veronderstelt een landing, maar de artillerie kan het niet halen uit gebrek aan behoorlijke verlichting. Met de Aussies op het vliegveld is nog telefoonverbinding. Ik draag MacKenzie op een patrouille uit te zenden in de richting van de Comoro en zijn Brenguns op te stellen op de driesprong van den Comoro-weg en den weg over het vliegveld. Hij vraagt toestemming, reeds thans het vliegveld op te blazen, wat ik weiger, omdat het westdetachement er nog over moet, om de westgrens van de stelling te bezetten. Ik geef daartoe order om ± 3.20 per ordonnans, want de telefoon met de Jong is nog steeds niet hersteld. Die met de Aussies is trouwens nu ook kapot. Callinan licht intusschen op mijn verzoek Maj. Spence in, doch het bericht moet eerst naar het vliegveld, vandaar per Lookers Camp [in de kantlijn dagboek: Lucas Lamp] naar een seinpost in de heuvels en dan weer per telefoon naar het hoofdkwartier van Spence. Die dan ook pas de volgende morgen iets van de zaak hoort. Om ± 3.30 hooren we hevig vuur uit de richting van het vliegveld, gepaard aan hevige knallen van handgranaten, zwaarder dan de onze. En om 3.50 verschijnt een hijgende Australische runner met het verhaal, dat de Brenngunopstelling door ± 100 Japs is aangevallen en genomen. De schoeljes waren geheel in ’t zwart gekleed en de verassing was vrijwel volkomen. Dus dat was dat. Buitengewoon plezierig voel ik me niet: een deel van de zaak is van de lari, twee officieren en een aantal lieden zijn de terugtocht aan het voorbereiden, de Aussies zijn mijlen ver weg en de aanval begint – natuurlijk – ’s nachts, waartegen ik met m’n gloeiende speldeknoppen van zoeklichtjes toch al niet veel zou kunnen uitrichten. Breemouer – die zich intusschen na lang aandringen van Dr. Bloemsma heeft laten verbinden – geeft dan ook gereedelijk toe, dat het niet zoo best is. Het eenige lichtpunt is, dat de telefoonverbinding met de in het oosten zittende kustwacht intact is, en dat daar nog niets gebeurt: ik kan dus voorloopig een leeg oostvak riskeeren. Maar niet zoo lang, want de aussies op het vliegveld melden het vermoeden, dat de vijand zuid om de stelling heen trekt. Dit maakt de zaak critiek. Als de vijand – wel ik gezien zijn gewoonte verwacht – overmachtig is, kan ik geen insluiting riskeeren, dan komt er niets van een guerilla, zonder dat daar veel tegenover staat; bovendien word ik dan afgesneden van de Aussies, die daarna de heele vijandelijke macht tegenover zich krijgen. Het tegenover deze nadeelen staande voordeel, dat ik den vijand meer verliezen kan toebrengen, door in stelling te blijven, wordt zeer problematiek, doordat ik het oostvak niet kan bezetten, omdat de heeren de beenen hebben genomen: de vijand vindt dat gat bij zijn omtrekking natuurlijk direct. Dit alles wijst op terugtrekken. Maar ik weet niets omtrent ’s vijands sterkte, dus riskeer ik de zaak over te laten aan een betrekkelijk geringe macht, al verwacht ik die dan ook niet. Eén behoorlijk zoeklicht, waardoor ik althans het aantal schepen had kunnen zien, had wonderen gedaan. Maar ja, die kleine zoeklichtjes zijn ’n stuk goedkooper. Ik besluit tot het volgende: het grootste deel van het oostvak laat ik vervallen en improviseer een afsluiting naar het oosten van 3 mitrailleurs en een km. ter hoogte van het stafkwartier. Mooi is ’t niet, want ze kunnen alleen de wegen bevuren en niet het tusschenterrein en de diepte (!) klopt niet met die van de rest van de stelling. Maar anders is de zaak heelemaal open. Voorts plaats ik Horstink met z’n afdeeling in het midden van de stelling om de Jong zijn directe omtrekking te dekken. Ik laat tenslotte Meis met z’n reserve naar het stafkwartier komen: hij heeft na de geïmproviseerde oostvleugel nog zegge en schrijve 40 man over.

20 februari 1942
Onder minder pleizierige gedachten breekt tenslotte de dag aan. Uit de richting van de Comoro en het vliegveld wordt hevig vuur gehoord: alles door elkaar, scheepsgeschut, onze artillerie, mitrailleurs, mortieren, de heele zaak compleet. De duikboot is uit de baai verdwenen en de rest van de Jap. schepen liggen te ver om de west van de landtong, om van mijn commandopost uit te zien te zijn. Om 5.30 ga ik met de reserve in Z. richting, z.v.m. [zo veel mogelijk] oost houdende, naar de heuvels van het radiostation. Blijkt de vijand zwak te zijn, dan kan ik van daaruit de taak van Spence overnemen en den vijand in den rug vallen; blijkt hij te sterk te zijn, en moet de stellingbezetting terug, dan kan ik die zoonoodig opnemen. Verstandelijk het beste, wat ik doen kon – al zeg ik ’t zelf – maar voor mijn gevoel was het al de terugtocht. Ik heb me nooit in mijn leven zoo beroerd gevoeld als teruggaande door de aangerichte ravage van afgeknapte boomen e.d. met m’n ongelukkige 40 man in de morgenschemering van dien dag. Het maakte op ieder een veel dieperen indruk dan het heele gevecht. Aan de voet van de heuvels zend ik patrouilles uit naar het westvak, want, hoewel het gevecht daar nog in vollen gang is, krijg ik geen enkel bericht.       
Boven gekomen, tellen we vijf schepen, waaronder een zeer groot en minder groot transportschip. Een geregelde vaart van sloepen van de schepen naar de kust, gaat nog steeds door. Ik schat op deze gegevens de sterkte van den vijand op 4 à 5000 man. Tegenover hen staan er 400 van ons. Om in deze omstandigheden met mijn reserve van 40 man aan te vallen is waanzin. Ik besluit derhalve tot den terugtocht en tot een poging, om mij aan te sluiten bij Spence, die toch altijd nog 300 man versche troepen heeft. En ’n kinderhand is gauw gevuld. De artillerie, die intusschen een Japsche torpedojager in den grond heeft geboord, wordt met vernielingspatronen opgeblazen. Alle andere vernielingen worden volgens plan uitgevoerd, o.a. de Jap. schoener, de munitie, enz. Het vliegveld gaat de lucht in en we zien van onze standplaats uit zand en stof ongeveer 100 meter hoog opvliegen. De laatste berichten gaan uit naar Koepang en Bandoeng en dan gaat het radiostation, dat niet vervoerbaar is, er ook aan. Langzamerhand komen de meeste troepen zich aansluiten: alleen Horstink met zijn afdeeling gaat, tegen de orders van de Jong in, een anderen weg, maar rolt er door en komt tenslotte bij Spence terecht. De doktoren met een stel aussies loopen op den vijand, die al tot Lahane is omgetrokken, maar het gros, zijnde ± 150 man, komt er uit. Ik hou zooveel mogelijk oost aan en ga op Aileu af, vanwaar een weg naar het bivak van Spence loopt: ik hoop alleen, dat de Japs niet zoo sterk opdringen, dat hij terug moet, vóór ik dien weg bereik.       Het is echter geen fraai geheel: de troep is al spoedig doodop van den marsch door het zware bergterrein na het nachtelijk gevecht: het moreel is niet hoog; niets kon worden meegevoerd aan zware wapens of bagage: er is al spoedig geen eten en geen dekking, terwijl we al vrij gauw op ± 1200 m. hoogte zitten. We gaan tegen donker in een kleine kampong in bivak, waar we wat geiten laten slachten. De vijand heeft naar ons gezocht met jagers, doch maar zeer kort; nog geruimen tijd zagen we ze laag over het vliegveld van Dilly strijken, waarschijnlijk probeerende te landen, maar zoover kwam het niet: Mackenzie heeft z’n werk blijkbaar goed gedaan.

21 tot en met 26 februari 1942
Als maar terugtocht. Koud, regen, bergwind, geen dekking en sporadisch eten: Schreuder doet wonderen maar moet soms volstaan met het uitdeelen van boonen per enkele stuks. En alles moet door de doodelijk vermoeide troep zelf nog gekookt worden. Veel achterblijvers. Een nacht blijkt een vrij gunstig uitziend bivak vol vlooien te zitten, zoodat een deel van de troep ook nog dien nachtrust mist. De Europeanen houden zich nog het best. Veel discipline zit er anders niet meer in het geheel. Hetgeen ons nog op de been houdt, zijn de gunstige berichten over Nederlands-Timor, die later onwaar blijken te zijn. Portugeezen en inlanders komen met berichten over de Jap. verliezen tegen onze weststelling: de laagste schatting is 700 man, de hoogste 1500. In elk geval blijken ze later 6 dagen lang lijken te hebben verbrand (met het meubilair van Chineezen en Portugeezen als brandhout) Dat is – +@ hun torpedojager, tenminste iets. Overigens doen de meest dwaze geruchten de ronde. Dr. The, die we later in levende lijve zullen terugvinden, zou wel op 5 verschillende manieren vermoord zijn. Op den 26e trekken we eindelijk de grens over en bivakkeren op Hollandsch gebied. Ik stuur Schreuder vooruit om in Atamboea kwartier te maken en ons een dokter tegemoet te sturen, want het aantal zieken stijgt en vrijwel ieder heeft gemeene voetwonden: de schoenen zijn door de scherpe steenen op de bergpaden bijna op. Door alle ellende was de marschsnelheid zoo klein, dat ik Spence niet meer heb kunnen bereiken: we hoorden hem paralel aan ons teruggaan, als maar bruggen achter zich opblazende en hij was de eenige verbinding op weg door de zware bergketen, die ons scheidde, al voor bij, toen ik die bereikte. De vijand drong achter hem aan tot Hatolia, waar Stoll reeds was verdwenen, zooveel mogelijk munitie meevoerend en niet wetende, dat de Aussies nog tusschen hem en den vijand zaten.

27 februari 1942
Tijdens de middagrust komt er een van mijn onderofficieren, die met Stoll al op Atamboea was aangekomen, te paard aan met een brief van den detachementscdt, Kapt. Van Swieten. Hij vertelt, dat de off. v. gez. van Duyl met een ziekenverpleger en medicijnen ± 1 uur achter hem aan rijdt. Van Swietens brief is niet opwekkend. Koepang is gevallen en van alle gunstige verhalen blijkt niets waar te zijn. Een Australisch brigadier is met 200 Aussies uit Koepang naar Atamboea ontkomen. Ik houd het slechte nieuws voor den troep geheim en licht alleen Breemouer in. Dan neem ik een der paarden van onzer berichtgever over en ga vooruit naar Atamboea, waar ik ’s middags om 4 uur aankom, na Dr. v. Duyl te hebben gepasseerd. Ik heb nog nooit zoo geslapen als dien nacht in de passangrahan van Atamboea. En nog nooit zoo gemandied ook.

28 februari 1942
De Aus. Brigadier blijkt Veale te heeten. Hij heeft zijn staf bij zich, Capt. Arnold en Major Cape. Hij was cdt. van een brigade, die Timor versterken zou, doch wier transportschepen door Jap. luchtaanvallen naar Australië werden teruggejaagd. En nadermaal hij met z’n staf per vliegtuig vooruit was gegaan, zat-ie zonder troepen, toen de Japs aanvielen in den zelfden nacht dat ze het ons deden. De 200 Aussies, die hij bij zich heeft, zijn specialisten van de bezetting van Koepang; niet veel gevechtswaarde en weinig wapens. Col. Leggets blijkt zich met de heele club te hebben overgegeven, nadat hij vrijwel ingesloten was, o.a. door een aanval met parachutisten. Ben blij, dat ik in Dilly niet te lang ben blijven zitten. In den middag komt onze troep binnen: ik laat zoover mogelijk met vrachtauto’s tegemoet rijden, maar meer dan 9 k.m. kan dat niet. De zaak is volkomen uitgeput en betrekt de door Schreuder met hulp van Van Swieten voorbereide kwartieren. Brig. Veale is niet erg optimistisch. Hij heeft zoowel naar Australië als naar Java geseind om hem met z’n 200 man te evacueeren, maar hij krijgt geen antwoord. Later blijkt, dat ze althans op Java wel iets anders aan hun hoofd hadden. Ik sein mijn aankomst naar Bandoeng en steun zijn evacuatieverzoek. Ik zie n.l. wel kans om een guerilla te voeren, maar dan moet de troep eerst wat rust hebben en Atamboea opnieuw worden voorzien van al het noodige. Maar die rust krijgen we niet, want zoowel uit de richting Koepang als uit de richting van de Portugeesche grens melden de berichten ’s vijands nadering van twee kanten. Evenwel, noch Java, noch Australië geven asem, zoodat er iets gedaan moet worden. We hebben de wandeling van Dilly naar Atamboea niet gemaakt om hier als rijpe appels van de boom geplukt te worden. Er zijn echter geen voorraden en haast geen geld: met dit laatste heeft het B.B. vrij raar omgesprongen. Ik krijg den indruk, dat Detiger den staat van beleg zeer zachtmoedig gehanteerd heeft en de zaak maar zoo’n beetje aan den resident heeft overgelaten. Daar is de staat van beleg volgens mij nu net nièt voor.            Het eenige middel om van het land te leven is door de armoede van de streek het verdeelen van den troep in kleine, verspreide groepen. Ik doe dat dan ook, laat wat er nog is, uitdeelen, ook wat er aan zilvergeld nog bij een is te schrapen en geef elke groep opdracht, den vijand zooveel mogelijk afbreuk te doen. De vorming van de groepen laat ik zooveel mogelijk vanzelf gaan, want ze moeten wie weet hoelang met elkaar optrekken: het worden meestal de kookkorpsies van de tocht Dilly Atamboea. Tenslotte geef ik toestemming aan de groepen, om Timor zoo mogelijk te verlaten, mits naar gebied waar nog gevochten wordt.

1 maart 1942
De groepen marcheeren af en het eerste guerillatijdvak is begonnen. Echter onder vrij weinig belovende omstandigheden. Mijn eigen groep bestaat uit Breemouer, de Jong, de Winter en de sergeanten Bopp, Schreurs, Bakker en Poelman. Met [We] gaan met een truck naar Tobaki waar we de truck vernielen, alsmede de telefoontoestellen en lijnen. Ontmoeten de groep Schreuder, waarbij Strik zich bevindt. Ik draag hem de vernieling op van een aantal bruggen in den weg Atamboea-Tobaki. Vijf draagpaarden gekocht.  

2 maart tot 24 maart 1942
Van plaats tot plaats trekkende, nog eenige telefoonverbindingen vernield, maar veel meer komt er niet van guerillavoeren. De Japs komen niet buiten de groote plaatsen en onze groepen zijn te klein om hun op te zoeken. De stemming is niet al te opgewekt, al komen er wel humoristische momenten voor. De val Java, die we met de meegenomen ontvanger opvangen, maakt ons erg down en de houding van de bevolking, die hoe meer we naar het westen komen, hoe langer hoe slechter wordt, vergt veel van ons physiek, omdat we, bang aan den Jap verraden te worden, elken dag verplaatsen moeten en ‘s nachts zwaar wachtloopen. Het is lang geleden, dat ik op post heb gestaan. Het eten, na het opraken van onze geringe voorraden, wordt hoe langer hoe slechter en een beetje sago is soms het eenige, waarvan Bopp maakt wat-ie kan. En dan wordt ie nog kwaad als we ‘t niet lekker vinden. Schoenen is een probleem: de paarden zijn noodig voor de geringe bagage zoodat we als maar loopen. Half Maart sluit zich de gepensioneerde spandri Bese Tete bij ons aan, die ons van veel nut is, maar genoegen moet nemen met den naam Bertus en verder niets. Van ons meest westelijke punt, Boking, trekken we langzaam weer terug naar het oosten. We ontmoeten groepjes Aussies, die er nog beroerder aan toe zijn dan wij en hebben één contact met de groep Zijlstra. Over het algemeen een paar beroerde weken, vooral de weinige voldoening die het geeft, eigenlijk niets te doen dan buiten ‘s vijands handen blijven. Voorts hebben onderofficieren in de groep geregeld ruzie.

24 maart 1942
We hebben zoo genoeg van het trekken, dat we besluiten een zoogenaamd ˶vast bivak˝ te wagen. Het wordt gevestigd in de buurt van huize Bertus, die veel aanhang heeft, waardoor we kans hebben op voedsel en tijdige waarschuwing tegen den vijand. We maken afdaken en zelfs baleh2. Hevige hitte. Bopoe verlangt naar pêche melba. Alweer. En Schreurs en Bopp hebben ruzie. Ook alweer.

25 maart 1942
Een hevige regenbui heeft het vaste bivak vannacht minder vast gemaakt: één modderpoel, waarbij je wegens de geaccidenteerdheid naar alle windstreken glijdt zoodra je je buiten je hok waagt. Bertus moet de voedselaanvoer nog organiseeren, zoodat het vandaag nog de maaltijd van een kleverige substantie is zoaals al zooveel dagen en die Bopp maakt van sago met niks. Vermoedelijk neemt hij de verhoudingen steeds verkeerd, want ’t smaakt nooit naar sago maar altijd naar niks. De Jong heeft een paar armzalige stengels wildsuikerriet uitgeperst, gekleed in alleen een badhanddoek, de Jong, bedoel ik, niet de stengels. Het was net ’n plaatje uit ’n kinderbijbel, op ’n groote kalisteen, met baard compleet (ik bedoel alweer de Jong). Maar dat was dan ook het eenige resultaat want het rare soort sap, dat na inkoken over bleef smaakte net zooveel naar suiker als m’n grootje. In den namiddag komt Bertus met zoons en levensmiddelen; zelfs pisang en eieren. We zullen dus morgen kunnen eten.

26 maart 1942
Druilerig weer. Ontbeten met pisang goreng. Ik begin over een ander ˶vast˝ bivak te denken, want je glijdt hier nog eens de beenen stuk. En wat dan? Middagmaal vroeg en slecht, n’en (onleesbaar) diplaise Bertus. ’s Avonds gebridged – op wacht – geslapen, weer op wacht.

27 maart 1942
’s Morgens regen, later opgeklaard. De ruzie, ditmaal tusschen Bopp en Bakker begint eveneens vroeg, zoodat we de dagelijksche gebeurtenissen vandaag vrij vroeg achter de rug hebben. Maar de stemming begint leelijk te zakken.

28 maart 1942
Regen. De dag begint niet opgewekt, maar eindigt anders. Om ’n uur of 10 verschijnt Bertus met brig. Fröling. Bertus had ik uitgezonden om navraag te doen naar de hardnekkige geruchten dat onze troepen in Atamboea zich aan het verzamelen zijn. We zitten daar 80 km vandaan en ik had hem dan ook nog niet terug verwacht, maar hij heeft van Swieten ergens ontmoet. Deze schrijft het volgende: De Japs zijn niet naar Atamboea opgerukt maar teruggegaan, vermoedelijk op het bericht, dat wij het verlaten hadden. De Belo’s hebben er huisgehouden en alles geroofd en vernield. Prettig volk. v. Swieten had de kans geroken, nu in Atamboea in groote groepen te reorganiseren en had mij overal gezocht. Had mij niet kunnen vinden, evenmin als Schreuder, met wie hij contact had en die ook op zoek was gegaan. Had tenslotte zelf gelast, om op 31 Maart in Atamboea te verzamelen. Bericht was via bevolking doorgegeven; ben bang dat de Jap het ook hoort, maar er zat niet veel anders op. De ontmoeting van Bertus en Fröling was hoogst toevallig en gelukkig. Fröling heeft een brief bij zich van Brig. Veale, die met de meeste Aussies op Portugeesch gebied zit en mij een conferentie voorstelt in de grenspost Tilomar. Ik schrijf aan Van Swieten, dat ik zijn initiatief goedkeur en na de conferentie in Tilomar in Atamboea zal komen om het commando over te nemen. Voorts draag ik hem een paar verkenningen op. Bertus zorgt voor paarden en ik vertrek met de Winter, Bopp en Fröling te paard in de richting van de Portugeesche grens. Breemouer krijgt opdracht om met de rest van de groep rechtstreeks naar Atamboea te gaan. We halen dien dag Tobaki en komen net vóór een ontzettende plensbui in de missie aan. Pastoor Wortelboer heeft nog meel en rijst en allerlei ongekende lekkernijen. We slapen in echte bedden, die nochtans een tikkeltje aan den viezen kant zijn.

29 maart 1942
Na een goed ontbijt door een ontzaglijk vuile modderpoel verder gesukkeld. We halen Alas, waar de Radja gevlucht is en de zaak vrij pro Japansch blijkt. Er is een groep van 17 man onder een Manadoneesch sergeant (naam vergeten) die ook al klaagt over weinig hulp van de bevolking. Ik neem de beide zoons van den Radja gevangen. De manadoneesche groep wist nog niets van Atamboea en krijgt opdracht, derwaarts te gaan. Overnacht in de missie-school, alwaar de goeroe zeer behulpzaam.

30 maart 1942
Vroege afmarsch, wij naar Tilomar, de Menadoneezen naar Atamboea. Steken ± 8.30 de grens over en zijn voor het eerst sinds een maand op Portugassers [Portugees] gebied. Om 11 uur in Tilomar, zonder het minste idee, hoe deze plaats in onze wederwaardigheden een rol zou gaan spelen. Na een halfuur verschijnt de Brigadier uit O-richting. Vertrouwde me later toe dat-ie aan de Boerenoorlog moest denken, toen-ie mij voor ’t eerst zag, compleet met baard en eigengemaakte bamboepijp. ’n Mensch moet toch iets rooken. Brigadier Veale is erg optimistisch over den oorlog en denkt, dat de geallieerden binnenkort Timor zullen hernemen. Hij wel. Maar in elk geval spreken we af, er maar vast op te rekenen en de troepen in wat grooteren getale in te zetten. Hij zal de Aussies reorganiseeren op Portugeesch gebied en guerilla voeren richting Dilly, terwijl wij na de reorganisatie in Atamboea guerilla zullen voeren richting Koepang. In afwachting daarvan scheer ik m’n baard maar vast af met het apparaat van onzen Portugeeschen gastheer Rabalho, korporaal der infanterie, postcommandant, civiel gezaghebber enz enz en bezitter van een half Chineesch, half inlandsche echtgenoote, die Maleisch spreekt. Hij zelf spreekt, behalve Tetum, alleen Portugeesch, maar dan ook vloeiend. We krijgen goede maaltijden en goede bedden. Bopp heeft malaria en ik voel met ook geen 100%: overblijfsel van ons bivak aan de Temoetoe, waar we 19 en 20 Maart gebleven zijn.

31 maart 1942
Bopp nog ziek, zoodat alleen met de Winter en een gids op weg naar Atamboea, na hartelijk afscheid van Veale, die terug gaat naar Maucatar. Voel me niet goed en moet in Dacolo ’n uur rust houden. Na steeds tegenvallende tocht door regen en koude bergwind vrij laat aangekomen in Fatumean. Hier de groepen v Rossem [Rossum], de Graaf en v/d Horst aangetroffen eveneens op weg naar Atamboea. Ik duik direct in een bed in de Port. post en merk pas den volgenden dag, hoe smerig het is. Geen kinine, dus dan maar niet. Terwijl ik in bed lig, confereert de Winter met de andere groepen en hoort oncontroleerbare geruchten over een Japansche opmarsch.

1 april 1942
Te beroerd om op te staan. Dan maar een dag later in Atamboea. Zie de viesheid van ’t bed maar blijf er toch maar in. Bopoe al kippensoep voor me kooken en start ’s morgens om 8 uur. Tegen half vijf ’s middags is ’t klaar, omdat ˶die krengen zoo hard blijven˝. Twee verkenners van de groep v Rossum naar Atamboea gezonden in verband met de aanhoudende geruchten. Keeren ’s avonds terug en hebben A. niet bereikt, doch zijn op ± 10 km daarvandaan beschoten. Kunnen echter wel posten van v Swieten geweest zijn, want de verkenners hebben niet veel meer, dat op een Indisch uniform lijkt. ’s Nachts twee inlanders uitgestuurd ter nadere informatie.

2 april 1942
Nog ziek. De Winter ook: heeft een of andere tropische huidziekte volgens een ziekenverpleger, die bij een van de andere groepen is. Dan komen snel achtereen de berichten binnen: Atamboea op 1 april inderdaad door ± 1500 Japs bezet. Twijfel is niet meer mogelijk want we krijgen al vluchtelingen binnen en ook de controleur zendt bericht. De bezetting heeft om 11:00 plaats gehad. Bij Halululik is nog even gevochten door de groep Zijlstra, die de driesprong bezet hield, maar het natuurlijk houden kon. Alle bijeengebrachte voorraden zijn in brand gestoken en de troep is weer in de oude groepjes uiteen. Er waren reeds 120 man verzameld. Het bericht telefonisch doorgegeven naar de Aussies langs de voorwereldlijke Portugeesche bestuurstelefoon: ’t kost de Winter bijna zijn heele avond. Hoor, dat er op Fohoren een Portugeesche dokter is.

3 april 1942
Afmarsch naar Fohoren, alwaar na 4 ½ uur te rijden aangekomen. Er is hier weer een Portugees als postcdt. die ons goed ontvangt. De ˶dokter˝ blijkt een soort apotheker te zijn, die ze infirmiris noemen, half Chinees, half Portugees is maar mij niettemin een chinine-injectie geeft en de W. [Winter] zijn beenen volsmeert met een onwaarschijnlijk zalfje. Berichten van vele groepen, die uit A. weer op Port. gebied zijn gekomen, lichamelijk en moreel in zeer slechten toestand. Bopp belt op uit Tilomar, dat er voor Besikama 15 schepen zouden liggen, nationaliteit onbekend. Hij vraagt om een inheemsch soldaat om in Inl. [inlandse] kleederdracht te gaan verkennen. De Amb. soldaat Tjoeka is de gelukkige. Heeft er eerst niet veel zin in en de verkleedpartij opdragen kan ik hem niet. Tenslotte gaat-ie toch maar. Veale belt op en wil een nieuwe conferentie in Lolotoi met het oog op de veranderde toestand. Vastgesteld op 9 April.

4 april 1942
Telefonisch contact met verschillende groepen, o.a. v Swieten en Zijlstra. Tenslotte ook met Horstink, die sinds Dilly geen contact meer en thans in Memo met 20 man. Gelast Schreuder op te zoeken die daar in de buurt moet zitten en daarna aan te sluiten. Zijlstra uiterst somber. Overigens komen er nog twee Holl. pastoors over de grens, n.l. v/d Hoeven en de Bruyn,

 5 april 1942
Het schijnt vandaag Paschen [Pasen] te zijn, aan de pastoors te oordeelen. Ik weet nog niet precies wat te doen. Voedsel is het 1e probleem, dan schoenen en kleeren. Geld hebben we niet en we kunnen op Port. gebied niet requireeren. Denk over het verzamelen van vrijwilligers, die het wagen willen en de rest maar laten loopen. Malaria kwijt, maar nu heeft de Winter het, hoewel licht.

6 april 1942
Als maar Paschen. Breemouer duikt met z’n groep in Tilomar op. Was opgehouden door malaria en daardoor tijdig ingelicht over Atamboea om te kunnen afbuigen. Net bijtijds, want de Jappen blijken nu ook in Tobaki te zitten. De tweede redding door de malaria, die de Japs blijkbaar niet gunstig gezind is. Tjoeka komt terug en meld dat de 16 schepen voor Besikama alleen maar in de verbeelding hebben bestaan.

7 april 1942
Ik vertrek met Kommer en de Ruyter naar Lolotoi. De Winter blijft in Fohoren om de groepen op te vangen. Na een paar uur stuur ik K. en d. R. terug: hebben zulke slechte paarden, dat ik niet opschiet, weshalve alleen met de gids verder. Ik kom ’s avonds in Maucatar en logeer bij den gep. Port. luitenant Lopes. Tracht een voedselcontract met hem te sluiten zooals ik hoor, dat de Aussies hebben, n.l. op crediet tot na den oorlog. Wil niet; heeft volgens zijn zeggen geen contanten genoeg. Is overigens gastvrij genoeg. Ik tracht geld te leenen van Chineezen tegen 100% rente na den oorlog en scherm met iedereens eerewoord, tot dat van H.M. toe. Maar ’t helpt niet en ik haal zegge en schrijve 100 petaca’s op. Wat ’n baan. Telefoneer met de Winter en hoor dat v. Swieten en Zijlstra met hun groepen zijn aangekomen, allen zwaar in mineurstemming, beide officieren incluis. Vrij somber te bed.

8 april 1942
Naar Lolotoi. Bespreking met Brigadier. Kan niets anders zeggen, dan dat ik het probeeren zal, doch geen geld en geen eten. De Aussies wel, dus die moeten dan maar zien wat ze doen. Telefoon met de controleur van Atamboea, de Haan, die naar Bobonaro is gevlucht en mij na veel gezeur f 500.- toezegt. Ik krijg die vent nog wel eens.

9 april 1942
Aankomst van Horstink in Lolotoi. Probeert bij de Aussies te mogen blijven, wat ik weiger. Wordt tijd dat hij eens weer onder appèl komt. Terug naar Maucatar.

10 april 1942
Lopes is in eens van idee veranderd. Zal, voorloopig voor twee maanden, de hoofdvoedingsmiddelen, rijst, vleesch, maïs en boonen op crediet leveren; de rest moeten we betalen. Ik denk, dat de administrateur van Bobonaro [kantlijn: F. de Sousa Santos], die sterk pro-geallieerd is, er achter zit. Kan me trouwens niet veel schelen. Bel op naar de Winter met opdracht, alle officieren, die op Port. gebied zijn, op Tilomar te dirigeeren voor een bespreking. Het vrijwilligers-idee laten varen.

11 april 1942
Naar Tilomar. Aldaar Breemouer, de Jong, Van Swieten, Schreuder en de Winter. Stemming zeer pessimistisch, vooral bij van Swieten en nog het minst bij Schreuder en de W. Men betwijfelt, of ik de troep nog bij elkaar krijg en of er dan nog iets mee te doen zal zijn. Ik zet toch door en verdeel de aanwezige en nog te verwachten troepen in drie afdeelingen onder Breemouer, v. Swieten en de Jong, resp. met standplaats in Tilomar, Dacolo en Fohoren. Dan zitten we tenminste langs de Hollandsche grens. Hoofdkwartier te Tilomar, de Winter wordt mijn adjudant. De afdeelingen onderverdeeld in groepen onder luitenants en instructeurs. Het aantal officieren is vrij gunstig. Als luitenants zijn over de grens Zijlstra, Schreuder, Meis, Michelhoff, Begeman en Horstink. Dr. The is opgedoken in een gestreept broekje en een wit jasje van een tokochinees en Dr. v Duyl is op komst. Ik mis derhalve van de officieren alleen dr. Bloemsma, die op Dilly gevangen genomen moet zijn en Stoll, van wie ik niet weet waar hij is. Aan alle Portugeesche posten wordt verzocht, de Holl. troepen op de dichtstbijzijnde van de drie posten te dirigeeren. Hetzelfde verzoek gaat naar de Aussies in het oosten. De aangewezen afdeelingscommandanten vertrekken ’s avonds nog naar hun standplaats. De staf trekt in bij de uiterst gastvrije Rabalho, bij wie ik echter op betaling aandring, hetzij contant als we het hebben en anders later. Hij vindt ’t gereedelijk goed.

12 april 1942
Ik heb 80 man. Echter veel zieken. Geen medicijnen, geen schoenen, geen kleeren en weinig wapens. [OvG] The prutst aan een stetoscoop van bamboe. Bericht dat de sgt Manopo bij Tobaki met zijn groep slag geleverd heeft tegen de Japs. Had opdracht van Breemouer om aan te sluiten, maar was eigenwijs. Hij zelf gesneuveld en de rest van zijn groep krijgsgevangen. Zeven automatische wapens, die ik zoo hard noodig heb, naar de haaien

13 april 1942
Sterkte 100 man.

14 april 1942
Sterkte 120 man. Sgt. McCabe? als liasion-officer van de Aussies bij mij. Sgt. Paulus omgekeerd bij de Aussies. Code vastgesteld voor de telefoonberichten. Troep alleen maar rust: ik tracht althans één patrouille op te fixen om op Ned. gebied te gaan. Bij de Aussies prutsen ze aan een radio, om verbinding met Australië te zoeken. Hoop, dat ’t lukt.

15 april 1942
De Jong belt op met het bericht, dat er op Fohoren een voor mij bestemde brief van den Japanschen bevelhebber is bezorgd: door inlanders doorgegeven. Ik draag hem doorzending op per bereden ordonnans, zoodat ’t ding al na een paar uur arriveert. Op de envelop staat als afzender: ˶Nippon Besar, Atamboea˝, wat Bopoe een enthusiast [enthousiast] ˶Hup met de beenen˝ ontlokt. Het bul is niet met droge oogen te lezen:

Japanese Army

Atamboea, April 12th 1942

Dear Leut-Kolonel, Kapiten and officers of Dutch Army,

Now as you all know, the war of Nederlands-East Indies finished. Leut. Kolonel Detiger and his men were willing to receive the treatment of Japanese Army. You must be short of food now, you have to sleep in the fields or among the mountains. All of Dutch men except you, and the Indonesians in N.E.I. think, for the Dutch and Australian soldiers to surrender is rather better than to hide among the mountains. Do you think it able for you to resist longer till the hopeless help comes? Are you waiting for it? The soldiers lives are not only of officers own but must be also of their families, who are very, very, anxious for them. If you and your men surrender, all can see the family again when the time comes. But if not, sorry we must fight and destroy, it’s our armys work advanced here, no thing else. You are heavy burdened. You must contenplate all the conditions of the present N.E.I. and decide how to do, what to do. Now you have the opportunity position to decide the destiny of all your men. Hoping to get your good answer soons.

Yours sincerely

Junsh Kinoshita?

Head of Japanese Army.

Atamboea

Eerlijk zijn de Japs toch wel. Al mijn oorlogssouvenirs hebben ze in Dilly te pakken gekregen en nu sturen ze me dit epistel in ruil. Ik mag niet klagen. Ons antwoord gaat nog denzelfden dag uit: het bestaat uit de eerste patrouille, die weer op Hollandsch gebied gaat, de Marai in. Onder Schreuder en Michelhoff. Vijftien man, zoowat de eenigen die fit zijn.

16 april 1942
De inspectie naar Fohoren. Een uniform meegenomen voor The van van Duyl, die zoowat het eenige slachtoffer is van mijn order, dat niemand meer dan één uniform en één paar bruikbare schoenen mocht bezitten en de rest moest inleveren voor anderen. Order was ook wel een tikkeltje speciaal voor van Duyl gemaakt, die als ’n baanderheer over de grens was gekomen met twee pakpaarden. Z’n uitkleeden verwekte nogal pret bij de staf, die hem niet erg kan zetten wegens zijn schrielheid bij de eerste ontmoeting op 27 Februari. Toestand in Fohoren niet erg rooskleurig: veel zieken, o.a. Aussies, die door hun eigen lieden aan hun lot worden overgelaten. The doet wat-ie kan maar heeft geen medicijnen: leent zoo nu en dan iets uit de schamele voorraad van den infirminio, na het eerst met ’n vies gezicht te hebben bekeken. De Jong is nogal down: hij heeft de meeste zieken en de minste wapens van de drie detachementen, maar daar kan ik geen verandering in brengen omdat hij tevens het verst van de grens ligt. Voedseltoestand gaat. De Portugeezen komen hun belofte loyaal na; het koken geeft alleen nog wel eens moeilijkheden wegens gebrek aan vaatwerk. Voor petroleumblikken vragen ze hier f 10. per stuk, wat ik er graag voor geef, maar ze zijn er haast niet. Geslapen in de Jongs bivak, zijnde de Signor van Fohoren op z’n gastvrijheid teruggekomen.

17 april 1942
Terug naar Tilomar. De Winter nog boos over telegrammen van de Austr., die door slecht codeeren en slecht dicteeren door de telefoon zowat niet te ontcijferen zijn.

18 april 1942
We hebben radio-verbinding met Australië. Het in elkaar gezette ful moet meer op ’n in elkaar gereden Ford lijken dan op ’n radio, maar ’t werkt. Alleen wil Darwin ons niet gelooven en denkt aan een valstrik van de Japs. Ze vragen den Brigadier ’t hemd van z’n lijf. Moet je maar één hemd hebben. Als ie er eindelijk in slaagt, op te geven, hoe de grootmoeder van z’n vrouws jongste achterneef heet, zijn ze tevreden en beloven, voorraden af te werpen.

19 tot en met 27 april 1942
Het begint wat eentonig te worden. Schreuder zendt vrij gunstige berichten uit de Marai, waar de bevolking nog op onze hand blijkt en nog geen Jappen komen. De rest van de troep is nog niet fit genoeg om iets te doen en de Japs wagen zich niet buiten de groote plaatsen. Op de post zitten we nu met z’n vijven, de Señor, de Winter, van Duyl en ik, benevens de liaisson McCabe? Mevrouw Rabalho is verdwenen naar een kampong op ’n uur afstand, aangezien de Japs wel eens zouden kunnen bombardeeren, als ze achter de plaats van ons hoofdkwartier komen. Haar vertrek is aan een kant een opluchting, zijnde het geen beminlijke tante, maar de maaltijden zijn wel veel minder geworden: dagelijks karbouwvellen met papajaschillen, zooals de W. het niet helemaal onjuist betitelt. Alleen het ontbijt is goed, maar veel te zwaar voor ons doen: wij zouden het liever als diner hebben. De Timorkoffie is goed en veelvuldig, maar zonder suiker of melk niets voor mij. En voor Bopoe ook niet.

28 april 1942
De Japs dringen plotseling sterk op tegen Bobonaro uit Noordelijke richting en bedreigen de Independent Company van Spence, die daar nu zit. Ik heb net weer eens malaria als ik de noodkreet van den Brig. krijg of wij de grensposten Lebos en Fatululic kunnen overnemen, dan kan hij de australische bezettingen vrij maken voor Bobonaro. We laten onze eischen voor een ˶fitte˝ troep maar weer wat vallen en sukkelen twee groepen naartoe, grootendeels op bloote voeten. We bezetten Lebos op 30 April en Fatululic op 1 Mei. Op 29 april was de Mikado in hoogst eigen persoon zoo maar jarig, waarvoor volgens onze berichten, alle hoofden in de buurt van Atamboea waren opgecommandeerd voor ’n prettig feestje. Had me daar graag mee willen bemoeien met gratis vuurwerk, maar dat gaat nu niet door. Onder de bedrijven door vergeten we de verjaardag van Prinses Juliana, althans in het hoofdkwartier: ik denk er pas aan als ik een paar dagen later de rekening van de afdeeling Breemouer krijg, die een afgrijselijke hoeveelheid kippen heeft laten slachten voor een extra-menu: ik geloof wel zeven. Maar intusschen zijn de 500 gulden gearriveerd van de Haan, die dus het eerst worden aangesproken voor de zeven kippen. En zoo hoort ’t ook met ’n Haan.

1 tot en met 5 mei 1942
We horen, dat de RAAF goederen aan ’t afwerpen is bij het Austral. hoofdkwartier, waar een terreintje daarvoor is ingericht. Alleen het transport naar ons toe duurt nogal lang. Inmiddels gaat het leventje bij den staf z’n gewone gang. De avonden zijn nogal vervelend: De Señor spreekt alleen Portugeesch, wat McCabe? ook een beetje doet, maar zoo weinig, dat-ie te veel tijd over heeft om te zitten fluiten. Dat doet-ie dan ook ijverig en hardnekkig en zoo onherkenbaar valsch, dat je haren er van te berge rijzen. Wat wegens het gebrek aan kammen niet onaanzienlijk bijdraagt aan de algemeene slordigheid, die in ons Portugeesche home heerscht. Van Duyl is geen overmatig gezellig mensch en lectuur is er niet, terwijl de W. [Winter] en ik ook ééns uitgepraat raken. Uit verveling gaan we Portugeesch leeren uit een serie Portugeesche tijdschriften, die er wel zijn, en een serie Engelsche lessen publiceerden. Van Duyl doet het ook, hoe, begrijpt niemand, want veel Engelsch kent-ie niet. Zelfs het rooken is geen vermaak meer: de tabak is wel goed, maar we hebben geen papier en de gedroogde djagengbladeren, waaruit we rooken, zijn niet erg smakelijk. Het van Dilly meegebrachte geheime archief levert nog wat op aan kantruimten, die we afknippen voor zoover het doorslagpapier is, maar ik heb toch liever ’n Davros. Een enkele maal komt er een pakje cigarettenpapier los van verborgen Chineesche voorraden, eens zelfs vrij veel, maar het gaat op 120 man gauw op.

6 mei 1942
We ontvangen de eerste zending schoenen en kinine uit de afgeworpen voorraden. De uitwerking op het moreel is buitengewoon groot. Tevens vraagt de Brig. mij in zijn hoofdkwartier te Mape te willen komen voor het bespreken van een belangrijk bericht uit Australië. Ik vertrek nog denzelfden dag: de Señor zorgt voor ’n goed paard. Ik ga ditmaal langs de kust en overnacht in Beco.

7 mei 1942
’s Morgens zeer vroeg vertrokken en nog vóór ’t ontbijt in Mape. Wat niet wegneemt, dat de inlanders in de buurt me allemaal good night wenschen vanwege de Australische invloed. Het bericht uit Australië had niet zoo heel veel om ’t lijf. Men beschouwt ons hoofdzakelijk als een bron van inlichtingen en moeten ons daarom zoo lang mogelijk handhaven. Brig. leest daaruit, dat we de Japs dus niet moeten provoceren om ons op te ruimen. Komt mij voorloopig wel goed uit in verband met de toestand van den troep, maar ik ben bang, dat het op den duur toch wel erg vervelend zal worden en nadeelig voor de stemming. Enfin, is van later zorg. Voorts heeft Veale bericht, dat hij waarschijnlijk naar Australië zal moeten om rapport uit te brengen. Ik blijf drie dagen in Mape en schrijf me de vellen aan rapporten, die hij mee kan nemen naar de een of andere Nederlandsche instantie. Als die er is tenminste, want ofschoon hij al op 20 April het bestaan van mijn troep en mijn naam heeft doorgeseind, heb ik nog geen woord gehoord.

11 mei 1942
Terug in Tilomar. Onderweg in Kamanasa geluncht bij Lopes, die daar in z’n zomerverblijf en thans volkomen gek. Was al niet zoo erg snik. Hij vraagt om patronen, die ik zelf al haast niet heb en ik geef hem er 20, waar hij zo kwaad om wordt, dat hij het voedselcontract cancelt. Mij ’n biet, we hebben nu toch verbinding met Australië. ’s Avonds bericht van Brig. dat hij opdracht heeft om naar Australië te gaan rapporteeren en dat hij een Indisch officier moet meebrengen. Hij wil, dat ik zelf mee ga. Besluit er gereedelijk toe, want ’t is toch maar tijdelijk en ik weet al sinds Dilly, hoe goed de Aussies zijn en hoe zij alles gedaan hebben en wij niets. Ik wil er dus zelf wel bij zijn, als hij gaat ˶rapporteeren˝.

12 tot en met 22 mei 1942
De Brigadier sust, met behulp van de Adm. van Bobonaro, Señor Tenente Lopes en ’t voedselcontract gaat weer door. Ook ’t gewone leventje gaat weer door, echter afgewisseld door soesah over 4 Hollandsche pastoors, die eerst over de grens gevlucht zijn en nu op last van Monseigneur weer terug moeten. Ik raad het ze sterk af en wijs op de onbetrouwbaarheid van de Jap. belofte, om hun te laten doorwerken. Wil ze zelfs beletten terug te gaan omdat ze te veel gezien hebben, maar dat wil het Portugeesche bestuur niet hebben. En daar kan ik geen ruzie mee riskeren. Ze gaan dus en worden bij Atamboea dan ook prompt door de Japs gevangen genomen. We hooren het van twee andere pastoors, die ’t nog op tijd vernamen en op hun beurt vluchtten. Die hoef ik niet meer te overreden om achter onze linies te blijven. Slechte berichten over de houding van de bevolking in het Hollandsche grensgebied. De Japs ruien ze op en bewapenen ze en onze spionnen kunnen er haast niet meer door. Tot dusver waren ze geregeld tot binnen Atamboea, vermomd als eerzame inlanders. Radja Alas is natuurlijk weer de baas van ’t spul en ik zend de afd. Breemouer uit om hem te arresteeren. Hij grijpt er naast en arresteert alleen z’n schoonzoon, die van de Radja bedoel ik. Een paar dagen later wordt een patrouille onder van Haren door duizenden bewapende inlanders bij de grens tegengehouden. Hij is zoo verstandig om met z’n 12 man terug te gaan na een paar waarschuwingsschoten om ze op een afstand te houden: hij noemt het althans bij terugkomst waarschuwingsschoten en zegt, dat er maar één inlander aan overleden is, maar ik weet het zoo net niet. De wildste geruchten doen de ronde over aanvalsplannen van Japs en inlanders op Tilomar. Een paar Portugeesche soldaten worden bij Fatoemea door inlanders beschoten en de heele grens is in rep en roer. We loopen in Tilomar verzwaarde wacht en slapen niet zoo erg rustig meer, maar na ’n paar dagen schijnt het weer te kunnen. De Señor helpt goed mee met bevolkingspatrouille van Portugeesche inlanders, die Hollandsche dito’s vreezen als de pest en daarom zeer waakzaam zijn: ik kan het merken, omdat de Señor de terugkeer van onze eigen patrouille uit het grensgebied altijd 1 à 2 uur van tevoren weet: is er niet gering trotsch op.

23 mei 1942
’s Nachts om 4 uur bericht van den Brig., dat ik om 17.00 in Raimean moet zijn voor vertrek naar Australië. Ik had gerekend op Suai, wat maar 3 uur rijden is, en dit is minstens 10 uur. Ik verdwijn met spoed, na Breemouer het commando te hebben overgegeven. De Winter telefoneert langs de heel weg om versche paarden, waarvan de helft er ook werkelijk blijkt te zijn. Na een vermoeiende zit ben ik om 17.30 in Raimean, maar de rest van de club, de brigadier en 8 Australische gewonden, die meemoeten, worden door een bandjirrende kali afgesneden. Gelukkig komt de plane dien dag niet, maar de Brig zweet bloed en water achter z’n kali. Op het strand geslapen. Koud. Zandvlooien.

24 mei 1942
De heele dag gelummeld. De brig. en de gewonden komen om ± 11.00 aan, net op tijd, want de ten opvoerende inlanders, die een uur achter hem zijn, kunnen de kali alweer niet over. Even voor donker komt een vliegboot van de U.S. Naval Airforce. Cdt. Luit. T. H. Moorer. Stoll stapt er uit met een vrij krankzinnige opdracht. Eerste levensteeken van de Nefis. Niet ’t laatste. Stoll had een avontuurlijke overtocht naar Australië in Maart. Bracht verder een vrij waardeerend schrijven van S. b. N. Coster. Begrijp niet goed, wat ik met een schout-bij-nacht te maken heb. Kan Stoll niet lang spreken, want we moeten weg. Hij gaat door naar Tilomar. Brig en ik worden kletsnat op een klein pestvlotje, maar ’t is ’t waard. Na een moeilijke start komt de zware kist los. Onderweg krijgen we koffie met echte suiker en boterhammen met ham. Merkwaardig. Na drie uur vliegen aankomst in Darwin, waar we logeeren bij Col. Thomson. Na een supper met allerlei kostelijkhedens in een echt bed te ruste. Ik geloof het nog maar half. De volgende dag blijkt mijn pistool tenminste malgré tout [toch] onder m’n hoofdkussen te liggen, net als bij ons in Timor.

25 mei 1942
Besprekingen met Gen. Herring, de cdt. van de Darwin-area en doorgezaagd door allerlei instellingen en instanties. Leger, vloot en luchtmacht schijnen dat hier allemaal op hun eigen houtje te doen en je moet zoo vaak ’t zelfde vertellen, dat je ’t op ’t laatst zelf gaat gelooven. De brigadier en ik dringen aan op het bombardeeren van Atamboea, wat nog nooit gebeurd is (wel Dilly en Koepang). Ik kan er geen hoogte van krijgen, of dat hier beslist wordt, of dat we het in Melbourne nog eens moeten vragen. In de naval officers mess thee gedronken met onze liason-officer Ltz Bakker: schijnt er hier goed op te staan en weet nogal veel. Darwin heeft nogal geleden van het laatste bombardement. Alle burgers zijn weg, behalve een oude rechter. Alleen de muskieten schijnen de Japs niet geraakt te hebben. Maar er is geen malaria, zegt men.

26 mei 1942
Door bemiddeling van onzer gastheer krijg ik ’n short en een shirt uit de Austr. stores: mijn eigen uniform is nog van Van Swieten, van zijn uitdeeling op 28 Maart. Behalve dat ’t te klein is, ziet het er zoo ontoonbaar uit, dat ik ’t niet eens in de wasch durf te geven. Ik zie er nu weer netjes uit: de vodden van ondergoed, die ik aan heb ziet toch niemand. Nog steeds geen plane om verder te gaan: het luchtverkeer schijnt ietsepietsie in de war te zijn. Nog meer besprekingen. En twee whiskey-soda’s, wat ik zo ontwend ben, dat ik zoo wat dronken naar bed ga.

27 mei 1942
Met de Guinea Airways naar het Zuiden. Landen in Darly Waters en Katherine. Niemand schijnt hier haast te hebben. Overnachten in Alice Springs in ’n slechts hotel. Al behoorlijk koud: gelukkig heb ik van Bakker een sweater kunnen leenen. Dit deel van Australië is een troostelooze woestenij; in het toeristenboekje in de plane staat, dat ’t zoo mooi is, maar dat is dan zeker alleen Zondags. ’s Avonds op bezoek bij een soort B.B. man, genaamd Abbot, kennis van de Brigadier. De vent heeft bier. En de brig. loopt over straat met een gekleurde wollen deken uit het hotel om zijn lang niet slanke leden en ziet er uit als ’n Indiaan.

28 mei 1942
Door naar Adelaide. De plane is nu gelukkig verwarmd. De brigadier woont in A. en wil hebben, dat ik bij hem thuis kom thee drinken. Maar we moeten om 7 uur door met de nachttrein naar Melbourne en hij heeft in twee jaar z’n familie niet gezien en dus vind ik, dat hij mij die paar uur best kan missen. Maar hij blijft aandringen en eindelijk komt de ware reden er uit: ˶I want you to meet some real Australians, for until now you’ve only seen Queenslanders.˝ Uit verbazing geef ik maar toe. Mevrouw Veale is op het vliegveld en met z’n allen rijden we naar hun huis. Na 1 ½ uur neem ik toch maar afscheid tot aan het station en ga m’n haar laten knippen. Een echte kapperszaak is een raar gezicht. Hij bekijkt m’n kop vrij misprijzend en heeft blijkbaar weinig appreciatie voor het werk van Rabalho’s djongos Davide. Als-ie geweten had, dat deze jongeling mij altijd behandelde met dezelfde schaar, waarmee hij de Belo’s kaal knipt voor ze de calabush (gevangenis) in gingen (al dan niet na de palmantaria [onleesbaar]) dan had ie me vermoedelijk de winkel uitgeschopt. Om 19:30 door met de nachttrein. Mevrouw Veale gaat mee; beide dochters brengen ons weg. De nachttrein mag wel eens een lesje nemen bij de Java-express. Geen verwarming, geen restauratiewagen vóór ’s morgens en een rammelend geheel. Gelukkig leent een Australisch zeeofficier me zijn duffel: anders was ik voortijdig overleden, hetgeen bepaald zonde zou zijn geweest.

29 mei 1942
Om 10.30 in Melbourne. Aan het station Sandberg, de Vries en Coppens. Men schijnt hier nogal enthousiast te zijn over onze ˶prestaties˝. Begrijp het niet zoo best, maar krijg langzamerhand den indruk, dat het betrekkelijk snelle opgeven elders daar niet vreemd aan is.  Van Nell natuurlijk niets bekend: alleen heeft de Vries haar nog voor de V.A.C. zien rijden op den dag vóór de capitulatie. Hoor tot m’n verbazing, dat Frans en Meet hier wonen. Dacht dat ze in Meester Cornelis waren geplaatst, omdat Nell indertijd naar Dilly schreef, dat ze naar hun ˶oude standplaats˝ terugwaren. Inderdaad herinner ik me nu, dat ze ook wel een blauwe Maandag in Australië geweest waren. Toon is ook hier geweest: is gered van Hr. Ms. Kortenaar in de slag in de Javazee. ’s Avonds bij Fr. en Meet gegeten. Er was plaats voor mij besproken in het Alexander hotel. Heeft over de 200 kamers. Rabalho [Tilomar] had er 3.

30 mei 1942
Gemeld bij schout-bij nacht [S.b.N.] Coster, die hier de baas schijnt te zijn. Ook overdag. Ik kende hem nog van de H.K.S. [Hogere Krijg School]. Met hem geluncht in de Naval en Military Club. ’s Avonds gegeten in het hotel met de stafcollega’s (ook Spoor is intusschen van een dienstreis terug). Verder aanwezig v Hoogstraten van E.Z. en Smits van de Jav. Bank. Een beetje duizelig van de luxe en de drukte.

31 mei 1942
Een Amerikaansche uitrusting gekregen, gelukkig met winterondergoed compleet. Aan m’n rapporten zitten werken op het kantoor van de Vries, die zoo’n beetje legeradviseur van de SbN is. Het zaakje is me nog niet helemaal duidelijk. Gegeten bij Coster, die z’n gezin bij zich heeft en hier blijkbaar al vóór den oorlog was. Ik vind oversteken nogal gevaarlijk.

1 juni 1942
M’n achterstallig traktement [soldij] geïnd. Niet zoo erg weinig, want ik had sinds Januari niets gehad. Het meeste op de Commonwealth Bank gezet en de Consul-Generaal geschreven om zoonodig te zorgen, dat Nell het krijgt. Het doorzagen door intelligencekerels begint waarachtig alweer. Ze schijnen een beetje langs elkaar heen te werken.

2 juni 1942
Opwachting gemaakt bij Gen. MacArthur. Indrukwekkende figuur en zeer waardeerend. Zou ons niet in de steek laten, want heeft zelf op Bataan aan den lijve gevoeld, wat dat beteekende. Verder voorgesteld aan bosjes andere generaals, o.a. Blamey, Sutherland en Chamberlain, laatstgenoemde voorzien van een fraai gekleurde neus, zooiets als een aardbeiennachtmerrie. ’s Middags met Sandberg naar een cocktailparty. Schijnt hier een geliefkoosd vermaak te zijn. De kunst is om ’n paar uur te staan, een glas, ’n cigaret en een stukje toast met een olijf er op in je hand te houden en dan het leege glas van een dame weg te zetten, die je net (als de zesde in successie) heeft gevraagd, hoe je Australië vindt. Als je dan nog aanminnig kunt grijzen bij je antwoord, hoef je hier niet veel meer te leeren, geloof ik.

3 juni 1942
Als maar besprekingen. En als maar koud. Inkoopen gedaan voor mezelf en voor den troep.

4 juni 1942
Een hartelijk telegram van den consul-generaal: ˶if you die˝ begint ‘t, enfin, en dan heeft-ie ’n hoop soesah om de duiten van de Commonwealth Bank te halen en daarom moeten ze naar de Bank of New South Wales, waar-ie een speciale regeling mee heeft voor dergelijke gevallen. Mij ook goed.

5 juni 1942
Een onzer bommenwerpers heeft in de buurt van Sydney een Jap. onderzeeër tot zinken gebracht. Groote stukken in de krant. We schijnen hier een vrij goede naam te hebben, speciaal bij Jan Publiek. Brig. Veale is naar Aidelaide voor ’t week-end. Komt Dinsdag terug en verwacht dan nog meer conferenties. Voorloopig gaan we dus nog niet terug blijkbaar. De belangstelling en waardeering voor ons is nog steeds zeer groot: kom hoe langer hoe meer tot de overtuiging, dat de vergelijking met de rest een rol speelt; vooral de leiding schijnt nogal gefaald te hebben. Alleen over de Waal wordt onverdeeld gunstig geoordeeld.

7 juni 1942
De Ind. officieren hier hebben geld bijeen gebracht om pakjes te maken voor de collega’s in Timor met allerlei bruikbare dingen. Initiatief van Holst Pellekaan. Een aardig idee, maar ook een aardige bagage. Ik zal extra ruimte in het toestel naar Darwin moeten aanvragen. Gisteren met Brigadier Veale geluncht. Heeft over iets de pest in, maar ik weer niet waar over. Misschien over het feit, dat MacArthur met mij een boel meer over timor heeft gesproken, dan toen hij bij hem was. Ben dinge! Gaf een radiogroet aan Nell op en hoop dat iemand ’t hoort en het haar overbrengt. Dat ze zelf zou luisteren zou wel erg toevallig zijn. Heb een nieuwe leesbril en ben benieuwd, welke Jap de mijne draagt. Australië lijkt mij meer en meer een raar land: heb nog nooit zooveel dronken mannen en vrouwen gezien als hier. Komt waarschijnlijk van het vreemdsoortige systeem van drankbeperking, n.l. wel in tijd maar niet in hoeveelheid, waardoor iedereen zich met de meest mogelijken spoed laat vol loopen. Overigens is het vandaag Zondag en is alles uitgestorven, zooals in een goede Angelsaksische plaats op Zondag hoort.

8 juni 1942
Stoll terug uit Timor. De waanzinnige opdracht natuurlijk niet uitgevoerd. Overigens schijnt Breemouer een tikkeltje ruzie te hebben met de Aussies. Zal ik bij terug-komst moeten sussen. Met Coppens gegeten in een Italiaansche tent: het is merkwaardig hoeveel Italianen hier sinds den oorlog Grieken zijn. Heb mij eindelijk wat meer in het Hollandsche gezelschap in het hotel begeven, maar apprecieer het nog niet zoo erg. Zal wel aan mij liggen en wel overgaan. Ben intusschen al weer 14 dagen in Australië en nog geen kijk op teruggaan. De Brigadier schijnt niet de minste haast te hebben.

9 juni 1942
De Hollandsche club helpen openen met een Hollandsche koffietafel. Had als tafelbuur een oorlogscorrespondent, die ik niet als zoodanig herkende en die mij vroeg, hoe lang ik al in Australië en uit Indië was. Dacht er natuurlijk niet zo gauw aan, dat de anderen al maanden hier zitten en zei ˶14 dagen˝ Waarop hij een journalistiek schokje in z’n achterhoofd kreeg, m’n adres moest weten en me zal opzoeken. Wat niet zoo best is, want m’n heele gedoe is nog zwaar geheim.          Bezig aan een voordracht voor decoraties van mijn menschen. Helsch moeilijk. De stemming is hier nogal optimistisch wegens den zeeslag bij Midway. Was ook een aardig succes, maar het zal toch nog wel even duren, vóór we met de Japs klaar zijn.

10 juni 1942
Vanochtend even bij den Brigadier geweest. Praat nu over drie weken verlof. Wordt hoe langer hoe meer. Bezoek gehad van den oorlogscorrespondent en maar wat zitten dazen. Alles moet toch eerst naar de censuur. Foto van de opening van de Hollandsche club in de krant, waarop vrij imbeciel zit te lachen. Conferentie met de R.A.A.F. Ze bombardeeren de doelen in Timor, die wij opgeven, nu bijkans dagelijks. Dan merken onze menschen gelukkig dat wij hier tenminste iets gedaan krijgen. Veel is ’t anders niet.

11 juni 1942
Dankbare brief van Mrs. McCabe? in antwoord op de berichten, die ik haar over haar zoon zond. En op het hoofdkwartier in eens aangesproken door een van de ex-meisjes Ledeboer: weet alleen niet of ’t Noor of Meet is. Schijnt nog steeds met Holland te correspondeeren en vertelde dat de oudelui het redelijk goed maken. Goede berichten over guerilla-actie in Celebes. ’s Avonds voor het eerst weer eens naar de bios. Walt Disney’s Fantasia. Grootendeels gesynchroniseerde waanzin, met een enkele goede momenten en goede muziek.

12 juni 1942
Conferentie met S. b. N. Coster over legerzaken, die mij hier niet zoo erg bevallen. ’n Rare commandoverhouding en een hoop wrijving. Er schijnt kans te zijn, dat ik in Timor word vervangen en hier legercommandantje moet gaan spelen. Lijkt me nogal een wespennest en heb er niet al te veel zin in. Zal in elk geval probeeren, eerst nog een dag of 14 terug te gaan. Ontmoette de Aus. Col. Thorpe, die in Bandoeng liaisonofficer was en nog steeds even binnensmonds spreekt: overigens ’n aardige vent met hersens.

13 juni 1942
Vandaag MacArthur day. Waarom weet ik niet. Overigens gaat alles gewoon door, ook Mac. A. zelf. Vanmiddag ontvangt-ie o.a. Coster, die een beslissing over Timor wil uitlokken. Mijn advies – tevens dat van Brigadier Veale – is hernemen of ontruimen. Inmiddels oorlogsnieuws niet zo best: we schijnen weer eens in een depressie te zitten. Met Sandberg, Coppens en de Vries geconfereerd over de herbezetting van Aroe-, Kei- en Tanimbar eilanden. Zij zijn er niet voor, aangezien de kans groot is, dat het alleen maar opoffering van troepen beteekent. Maar het is vanwege het politieke belang tegen hun advies in al beslist en ik acht het minder juist, mij er nu nog in te mengen. Voorts de zaken in Australië besproken: de tegenstelling leger-marine schijnt niettegenstaande den oorlog nog welig te tieren, met de marine in alle sleutelposities. Vooral Coppens is erg fel.

14 juni 1942
Gesprek met S.b.N. Coster over MacArthurs beslissing over Timor, dewelke zeer onbevredigend. Komt neer op het doen van niets, behalve een zeer problematieke voorbereiding van een evacuatie als die noodig mocht worden en die alle kans van te laat komen heeft. Voort gesprek over legerzaken: ook onbevredigend. Sandberg heeft blijkbaar gelijk gehad en ik ben te optimistisch geweest. Toch geloof ik langs den geleidelijker weg meer te kunnen bereiken, dan door de wel eens geopperde vergaande plannen. Ik zit nog het meest in over onze menschen op Timor en weet niet, wat ik hun zeggen moet. Weet ook niet, of ik mijn eventueele Australië baan nu wel kan aannemen. Trekt mij trouwens niets.

15 juni 1942
Vanmorgen de troepen voor de eilanden geïnspecteerd en toegesproken. Vanmiddag getracht, m’n haar te laten knippen, echter tevergeefs. Want de Koning is 14 December jarig, maar dat is te dicht bij Kerstmis en daarom vieren ze het in Victoria op 11 Juni, maar als dat geen Maandag is, vieren ze het op de eerstvolgende Maandag, want dan hebben ze ’n lang week-end. Hè, hè. En dus kan ik m’n haar niet laten knippen. ’s Avonds in het Windsorhotel de officieren, die naar de eilanden en naar Merauke gaan, uitgegeten. Nog gesproken, dus zoo ongeveer Kokadorusdag. Door Sandberg de vechtende troepen op Timor gememoreerd en een pluim op mijn hoed, welke overigens in de vestiaire en een muts was.

16 juni 1942
Begonnen met voorbereidingen voor mijn terugkeer naar Timor. De plannen, om mij hier het commando te geven beginnen wel een iets vasteren aan te nemen, maar ik wil toch eerst nog heen en terug. De Japs beginnen zich overigens weer te roeren in die buurt: Darwin is tenminste op drie achtereenvolgende dagen gebombardeerd en als je de heeren net tegenkomt bij den oversteek is ’t meteen afgeloopen ook. Enfin, maar weer afwachten.

17 juni 1942
Met S.b.N. discussie over benoeming L.C.A. Hij blijkt niet genegen, er spoed achter te zetten en we zijn volkomen aan hem overgeleverd. De stafcircle denkt over een rechtstreeks collectief telegram aan den Minister van Koloniën, waarvan ik ze voorlopig nog kan terughouden. Het geheel is vooral in oorlogstijd nogal weerzinwekkend. Spoor terug uit New Guinea vol verhalen over de enthousiaste ontvangst in onbezet Ned. Indië.

19 juni 1942
Vertrek van de compagnie-Molenbrugge naar Merauke. ’s Middags naar Brigadier Veale om te kankeren over het resultaat van de conferentie met Sutherland. Hoorde daar, dat hij niet terug gaat. Dacht ik wel. Deed of-ie ’t erg beroerd vond. Dacht ik ook wel. Z’n staf wordt teruggehaald en Spence zal het commando voeren. Maar… ze hadden toch wel graag het co. in Australische handen. Maar dat verdom ik toch. Er over naar Coster, die ’t ook niet wou accepteeren, maar een halfslachtige oplossing voorstond, waarvan het eenige voordeel (voor hem) is, dat-ie dan mij en het aparte legercommando kwijt is. Dan kan-ie als schout-bij-nacht weer een Compagnie gaan inspecteeren, zooals vanmorgen. Ik zie van Oyen als OBSO al ’n oorlogsschip inspecteeren! Vermoedelijk is die er te verstandig voor, maar anders ging het tot aan de Koningin toe.          Naar de Jong op Celebes is nu eindelijk een antwoord uit. Heeft men eerst ook ’n week laten verrekken, omdat ’t zoo geheim was. Mooie rotzooi. Maar hier lange week-ends en cocktailparties en lunchen hier en dineeren daar. Vanmiddag Sandberg een auto ongeluk. Chauffeur dood en hij zelf gewond: liet zich ernstig aanzien, maar schijnt mee te vallen.

20 juni 1942
Sandberg opgezocht in het Heidelberghospitaal: toestand valt erg mee. Nog steeds gedonder over het legercommando: begint me ontzettend de keel uit te hangen, maar de verhoudingen zijn zoo gespannen, dat ik me er wel mee moet blijven bemoeien. Sprak Snijdewint? die hier is met de Oranje [een hospitaalschip].

21 juni 1942
Wederom een heftige discussie met Coster. Schuift de zaak op de lange baan of tracht dat althans. Hoorde van een plan, dat MacArthur met z’n staf naar Brisbane gaat; dan moeten Sandberg en Coppens mee en staat de Vries er heelemaal alleen voor. En dat is toch al water en vuur met Coster.

22 juni 1942
Vandaag weer ontzettend koud. Coster besloten, aan MacArthur voor te stellen, mij hier te houden. Begonnen mijn bagage over te pakken, want daar zit ’n hoop voor den troep in. Veale kwam afscheid nemen. Gaat met 3 weken verlof.

23 juni 1942
Instemming van MacArthur om mij hier te houden. Heeft er niet lang over gepiekerd maar is dan ook van de moeilijkheid Australisch of Hollandsch commando af. Coster heeft naar Colombo voorgesteld om mij LCA te maken, maar het mag niet telegrafisch uit, doch per brief. Ik moet een ontwerp-instructie bijvoegen. Mijn hierblijven voor mij persoonlijk natuurlijk ’n boel beter, vooral met het oog op nog steeds terug komende malaria, maar ben er toch niet bar blij mee. Alles hier nogal down over debacle in Lybië.

25 juni 1942
Lange brief aan Breemouer geschreven en de weinige te verwachten steun zoveel mogelijk goed gepraat. Misschien een voordeel van mijn hier blijven: kan in een brief wel wat verbergen maar ze zouden aan me zelf op den duur wel gemerkt hebben, hoe teleurstellend de heele zaak is. En dat terwijl ze met een à twee regimenten de heele zaak zouden kunnen nemen. Maar over ’n paar maanden niet meer.

26 juni 1942
Zal ’n paar dagen naar Darwin moeten: de overvoer naar Timor bevalt me niet. Komt overigens niet goed uit, want ik krijg den indruk, dat men mij hier weer graag kwijt wil. Lunchte met den gezant in de club, die begon over een plan om mij in Merauke te plaatsen. Ammenooitniet. ’s Middags bij s.b.n. geroepen, alwaar ook van Hoogstraten. Zoeken een A.R. voor Merauke, tevens militair cdt. En of ik daar nu maar niet naar toe zou in afwachting van v/d Berge, die is aangekondigd. Afgewimpeld. Ik ben alleen uit Timor weggebleven omdat het co. hier belangrijker is, niet om in Merauke te gaan zitten, waar Molenbrugge het wel af kan. Op dezelfde bespreking blijkt de belangrijkheid van Merauke: of ik dan maar niet voor ’n paar maanden mee zal gaan naar Dobo, want Edwards van Muyen is niet zoo best. Weet ik ook wel. Hadden ze ‘m niet uit moeten sturen. Coppens voorspelt, dat ik op Darwin ’n telegram krijg, dat de SbN heeft besloten, dat ik toch maar naar Dobo door moet. Of naar Merauke. Maar daar ben ik zelf ook nog bij.

27 juni 1942
Bericht uit Timor over succesje van een onzer patrouilles tegen 200 door de Japs gewapende inlanders. ’s Avonds bij Withaker?, ’t hulpje van Ross in Dilly. Matig.

28 juni 1942
Vuile nota van Salm over de bevelsverhoudingen. Coster doet er vrij geringschattend over en zegt, het te zullen deponeren. Ben benieuwd of ’t waar is. Ben overigens al vier dagen stom verkouden. Nachtaanval van onze troepen ter sterkte van 100 man op sterke bende Japs en bewapende inlanders. Vijand 8 dooden en veel gewonden, wij een gewonde. Wapens en munitie buitgemaakt. Kreeg een stuk in handen – zal wel niet de bedoeling zijn geweest, dat ik ’t zag – waarin aan Coster wordt voorgesteld, mij voor de M.W.O. voor te dragen. Ze lijken wel knetter. Hoop maar niet, dat C. het doet (/) af gedaan heeft: dat word toch àl te gek.

29 juni 1942
Met de nachttrein naar Adelaide. Dit keer een verwarmde coupe en een reserveofficier van de Austr. navy als slaapgenoot.

30 juni 1942
Met Guinea Airways door naar Oodnadatta. Gelogeerd in een gribushotelletje. ’t Slaapie is dit maal een mecano van de Aus. Airforce. Aanval van onze troepen op Timor op bende Japs en inlanders. Vijand 50 dooden en 20 gewonden. Zelf geen verliezen. Zal wel een hinderlaag geweest zijn, al spreekt het telegram van aanval.

1 juli 1942
Om 6.00 n.m. in Darwin. Geloof, dat ik vrij flink koorts heb. Col. Thomson niet thuis, dus gelogeerd in de Navy Mess.

2 juli 1942
Nog steeds beroerd. Geconfereerd met verschillende lieden over transporten Timor. Overgegaan naar Thomson, die inmiddels thuisgekomen. Algemeene opinie, dat we Zaterdag weer een luchtaanval krijgen, is n.l. de Aus. Vrijheidsdag en de Japs kwamen ook op Kings birthday en op Anzacday. Zullen wel zien.

3 juli 1942
Beroerdheid ontpopt zich als malaria. Direct na ontbijt rillende weer in bed. Bakker opgebeld, die komt met Dr. Neeb.

4 juli 1942
Iets beter. M’n chinine is op, dus Thomson gevraagd, of hij nieuwe wil laten halen. Wordt door Austral. Off. van gezondheid zelf gebracht, denwelke zeer verontrust doet. Darwin heeft n.l. wel anophelesjes [muggensoort?] maar geen malaria. Dus als de lieve diertjes mij nu bijten is ’t mis. En dus moet ik voor drie weken in ’n hospitaal op 80 mijl van Darwin. Ik ben daar ’n beetje bedonderd. Bood aan dan morgen maar weer naar het Zuiden. Moest eerst aan chef arts gevraagd worden, die tenslotte instemt. Dus ’s middags maar opgestaan en per auto naar camp Onally, waar Edwards v M. met z’n troepen ligt op doorreis naar Dobo, enz. Enkele noodzakelijke besprekingen gehouden en weer in bed. De luchtaanval is blijkbaar afgelast: ook overigens van de Aus. feestdag niets gemerkt. Nog eens getracht contact te krijgen met de Jong op Celebes, doch tevergeefs. Een anti-malariaploeg heeft ’t heele huis uitgeflit. Er waren inderdaad wat minder muskieten. Na en tijdens het eerste bombardement van Atamboea blijken 100 van onze krijgsgevangenen ontvlucht te zijn en zich bij Breemouer te hebben gevoegd: heeft nu bijna 300 man.

5 juli 1942
Moest om 5 uur op het vliegveld zijn, ditmaal voor de Quantas [Qantas] via Brisbane. ’t Ding vertrok om kwart voor 7, maar ik ben nu lang genoeg in Australië om me niet meer te verwonderen en rustig op m’n koffer te gaan zitten. Overnacht in Longridge. Gestopt met de chinine, krijg er n.l. last van (zwartwaterkoorts-verschijnselen). Voel me erg down en kan me er niet genoeg tegen in zetten.

6 juli 1942
Via Roma naar Brisbane. Gelogeerd in Cecil. Atebrine en genuttigd. Voel me iets beter, maar nog steeds koorts.

7 juli 1942
Via Sydney naar Melbourne per A.N.A. Groot vliegtuig met airhostess compleet. Ontbeten in gezegd vliegtuig met een tweede glas orange-juice, nademaal het eerste over mijn broek. Zagen onderweg sneeuw op de bergen bij [naam ontbreekt] hetgeen in lang niet beleefd. Op het hoofdkwartier de heele zaak in rep en roer. Ze willen me toch weer naar Merauke hebben en ik kan het telegram daarover naar Colombo nog net ophouden. Coppens had dus bijna gelijk. De Vries ’s morgens al hevige ruzie erover gemaakt met Coster en dezelve afgebekt in het bij zijn van de gezant. Ik ’s middags naar de laatste toe, die nog hevig ontdaan. Had ook al eens zoo iets meegemaakt van Sandberg versus Coster en betreurt de controverse leger-marine hevig en naar ik meen ook eerlijk. Ik trouwens ook. v Aersen [Nederlandse gezant Z.E. Baron van Aerssen Beijeren van Voshol] er voor geporteerd, dat ik hier blijf omdat hij verwacht, dat ik de zaak zal sussen. Morgen zal er een nieuwe conferentie zijn.

8 juli 1942
Bericht, dat de Amerikanen al op Merauke zijn. Hoofdmotief, n.l. om mij daar te hebben als ze aankomen, is dus vervallen, wat Coster trouwens toegeeft. Hoorde de heele dag niets van een nieuwe conferentie. Overgegaan naar het Windsorhotel, aangezien Alexander me verveelt. ’s Avonds Spoor met bericht, dat hij bij van Hoogstraten geroepen om te bespreken, wat er gedaan moest worden met Merauke, d.w.z. of ik er heen moest. v. H. is er voor. Spoor bracht boodschap, dat v. H. mij er graag over wou spreken vóór de conferentie, die ’s middags schijnt te zijn. Natuurlijk geweigerd. Als meneer van Hoogstraten denkt, met een van mijn ondergeschikte officieren te kunnen bespreken, wat er met mij gebeuren moet, is-ie er een heel eind naast. Spoor boos. Van Hoogstraten boos. Ik boos. Allemaal boos.

9 juli 1942
Bespreking met Coster en Gen. Chamberlain over de gezagsverhoudingen na de Amerikaansche bezetting van Merauke. Afgesproken, dat ik de details zal behandelen met een van zijn stafofficieren. ’s Middags conferentie ten kantore gezant met dezen, Coster en v Hoogstraten. Hevige ruzie met laatstgenoemde over kwestie-Spoor, dewelke later, zooals gebruikelijk, weer bijgelegd. Weet nu tenminste wat-ie aan me heeft. En ik aan hem. Resultaat bespreking: Spoor voor drie weken naar Merauke in afwachting v/d Berge. Bevalt met niet heelemaal, maar ik wil me niet overal tegen verzetten. Voorzie toch nog moeilijkheden genoeg met de hier heerschende machtswellust.

10 juli 1942
Rustige dag en een beetje kunnen opschieten. Bericht dat Coppens naar Londen moet. Aan een kant jammer, maar overigens niet zoo gek, dat daar iemand zit die de zaken hier kent.

12 juli 1942
Onze troepen bezetten Dobo zonder tegenstand. In het hotel verhuisd naar een betere kamer: kan dus eindelijk m’n rommel eens wat uitpakken. Was op Timor makkelijk: had je niks uit te pakken. ’s Avonds met de Hollandsche gemeenschap in het Alexander Hotel (Kassen’s (onleesbaar), Mevr. v/d Berg en Coppens monopoly gespeeld en twee shilling verloren, hetgeen niet veel is vergeleken bij de bedragen, die in dat spel omgaan.

13 juli 1942
Ook Saumlaki en Toeal bezet zonder tegenstand. Weer besprekingen over de gezagsverhoudingen op Nw. Guinea. Spoor naar Merauke vertrokken. ’s Middags Brouwer uit Dilly op ’t kantoor, compleet met baard. Was met z’n vrouw uit internering ontvlucht en met Ross in Australië aangekomen. Minder prettige verhalen over onze troepen in Timor en verhoudingen met de Aussies, wat, gezien zijn bronnen en zijn eigen psychische toestand, wel overdreven zal blijken.

15 juli 1942
Onder leiding van Jesserun werpen de Amerikanen wapens en voedsel af bij de Jong op Celebes. Met de Brouwers gegeten: zien er beide slecht uit; hij is dan ook vrij beroerd behandeld. Tal van verhalen gehoord.

16 juli 1942
Beetje gekke avond in het Alexanderhotel, na diner in de Hollandsche club. En erg laat naar bed.

17 juli 1942
Sandberg uit het hospitaal. Vandaag allied appealdag, met verschillende tentjes op straat en dames in nationale dracht. Besteedde een pond aan een appelbol, dewelke aan Mevrouw Pickering geofferd. Als zoodanig heeft zich n.l. het ex-meisje Ledeboer ontpopt, die bovendien Meet en niet Noor is. Weer een radiobericht aan Nell opgegeven en Frans en Meet er bij genoemd om aan te geven waar ik ben.

18 juli 1942
Naar de races geweest op Ascot. Geef mij maar Longchamps. Zoowat geen paard gezien, alleen maar bookmakers. Hun types zijn anders wel de moeite waard, maar kostte dan ook 4 pond. Afscheidsetentje met de stafcollega’s wegens het a.s. uit elkaar gaan.

19 juli 1942
’s Avonds even naar Frans en Meet, die morgen naar U.S.A. gaan. Zijn overigens tijdens dit verblijf wat tegengevallen en niet van het hout, waarmee men oorlogen wint. Mochten dit en moeten dat en het was zoo’n ramp, dat ze indertijd binnen een week van Java weg moesten. Met de koffers, weet je. Ze hadden er wel twintig, geloof ik. Heb maar niks gezegd maar zag mezelf eenige onderbroekie uitspoelen in de kali. En dan waren we nog blij, dat-ie niet droog was, de kali bedoel ik.

20 juli 142
Frans en Meet en Coppens afgeduwd op ’n Am. Troepenschip. Sandberg naar Brisbane met MacArthurs staf.

21 juli 1942
Beetje de pest in. Hoop dat Nell vanavond m’n radio bericht hoort. Zal wel luisteren, als ze de kans heeft.

22 juli 1942
Weer eens malaria.

23 juli 1942
Naar kantoor wegens verschillende afspraken. Maar om 4 uur weer naar bed. Onze troepen op Timor blazen een Jap. truck op: 4 Japs bijna overleden en twee heelemaal.

24 juli 1942
In bed gebleven met behoorlijke keelpijn. Ouwehand verklaart alleen maar kou en angina. Kan evengoed niet slikken en deed geen oog dicht.

25 juli 1942
In bed gebleven en nog niet veel beter. Maar toch altijd nog een stuk beter dan het oorlogsnieuws, dat bar slecht

26 juli 1942
Nog steeds in bed. Iets beter. Austral. majoor van Blamey’s staf met ’n spoedzaak maar aan m’n bed laten komen.

27 juli 1942
Wou op maar mag nog niet uit. Wat door het hotel gescharreld. Voel me niets opgewekt. Dat we deze oorlog winnen is nog steeds mijn vaste overtuiging, maar hoe lang zal het nog duren. Wat we hooren van de fronten en hier zien van onze bondgenooten maakt niet erg optimistisch. De Australiërs en de Amerikanen moeten blijkbaar net zoo veel leeren als wij. En misschien nog wel meer.

28 juli 1942
Op halve kracht naar kantoor. ’s Middags even naar een cocktailparty bij de gezant, waar slecht weg kon blijven, doch daarna direct in bed.

30 juli 1942
Dobo, Saumlaki en Toeal door de Japs bezet. Nog geen bijzonderheden over onze troepen. ’t Advies van Sandberg c.s. was dus niet zoo gek. Brief van Spoor over gezagsverhoudingen op Nw. Guinea, ditmaal niet met de Amerikanen, maar met de Marine. Zal wel weer spul overkomen. Coster is toch al uit z’n hum de laatste tijd en ik heb ook ’n hoop dingen, die me dwars zitten, maar waarop ik niet telkens kan aanslaan. Als iedereen zich met z’n eigen zaken bemoeide, zou ’t veel beter gaan.

1 augustus 1942
Plannen in behandeling voor verhuizing van het hoofdkwartier. ’t Oude gedoe wordt te klein maar de S.b.N. kan moeilijk besluiten. Ik heb ’n balletje opgegooid over een eigen hoofdkwartier lager, wat me best zou bevallen. Nog steeds koud. Verkouden. Rheumatiek. Geef mij maar de Oost.

2 augustus 1942
Telegram, dat er nieuwe vliegtuigen voor ons onderweg zijn: is tenminste iets.

4 augustus 1942
Vanochtend v/d Berge aangekomen met veel nieuws over Londen en Colombo. Niet erg te spreken over de Regeering, maar – zooals iedereen – enthusiast over H.M. en den Prins. Prettige brieven uit Timor van Breemouer en Spence. Er was nogal wat actie en ze hadden wat succesjes.

5 augustus 1942
S.b.N. eindelijk accoord met eigen legerhoofdkwartier. Moet toegeven, dat dit veel goedkooper is dan ’t gebouw, dat we eerst op het oog hadden. Met v/d Berge rondgeweest bij de autoriteiten.

6 augustus 1942
Vanochtend den gezant opgebeld en hem er op geattendeerd, dat onze troepen op Timor het op 19 Aug. a.s. 6 maanden hebben volgehouden en dat het tijd wordt, dat de Regeering eens van eenige belangstelling blijk geeft. Hij zou seinen. Hiskemuller met 5 anderen, door mij overgeplaatst van Timor, aangekomen. Brachten een brief mee van m’n Portugeesche gastheer op Tilomar, door z’n vrouw in ’t Maleisch geschreven. Bedankje voor het gouden horloge, dat ik hem stuurde, toen het vast stond, dat ik niet meer terug zou gaan. Met een blik Timorkoffie en een Timorkain als contra-cadeau. Van den Berge aangezegd, dat hij a.s. Dinsdag door moet naar Merauke: vindt-ie niet zoo leuk.

7 augustus 1942
De kranten vol over oneenigheid met de Amerikanen over te weinig hulp en leveranties. Nu ’t niet goed gaat, beginnen ze elkaar uit te schelden. De yankees liggen hier over het algemeen niet goed. Hoewel uit zeer geheime mededelingen gehoord, dat ze doende zijn iets te gaan doen.

9 augustus 1942
Door de radio bericht over het Am. offensief tegen de Solomons (Guadalcanal). Ook tegen de Aleoeten schijnt iets gaande te zijn. Overigens een echte rotzondag, die geheel thuis doorgebracht behalve ’s middags even naar de kerk: niet veel aan en slechte preek. Een der punten ˶orgelspel˝ was Ave Maria, wat in een protestante dienst eigenaardig aandoet, al heb ik er niets tegen. Begin weer verkouden te worden. Wat ’n klimaat!

10 augustus 1942
Van den Berge naar het vliegtuig gebracht, zijnde weer stomverkouden, ik bedoel ikke, niet v/d B. Kreeg een brief van Austral. marineofficier, Moppet, van wie nooit gehoord. Bleek met een collega bij Nell te zijn ingekwartierd in Bandoeng tot ± 25-2-42. Had een Austral. legerofficier ontmoet, die mij van Timor kende en hem had verteld, dat ik in Melbourne zat, waarop hij direct schreef. Buitengewoon attent. Beweerde, dat Nell bij zijn vertrek naar Australië nog niets wist van de val van Dilly. Hetgeen ik niet erg begrijp.           De eerste berichten uit de Solomons bevallen me niet. Juist voor kantoorsluiting een noodkreet van Timor: de Japs schijnen met sterke krachten een aanval te doen uit drie richtingen: zijn o.a. geland bij Beco en Suai. Ze willen er nu blijkbaar eens een eind aan maken. Ik heb er genoeg voor gewaarschuwd en de Brigadier ook.

11 augustus 1942
De verbinding met Timor is verbroken. De Japsche schepen aan de Zuidkust zijn door de RAAF gebombardeerd en twee van de vijf zijn gezonken, maar de troepen waren al aan land. Schreuder en Begeman, die ik overgeplaatst had, zijn er nog net uit.

12 augustus 1942
Nog geen verbinding met Timor. Het offensief tegen Guadalcanal schijnt wel te lukken maar ten koste van zware verliezen van de vloot tegen shore-based aircraft. Wat volgens onze marine – behalve vice-admiraal Jager – nooit kon.

13 augustus 1942
Schreuder en Begeman van den trein gehaald. Wisten nog niets van het Jap. offensief doch waren zeer optimistisch. Ik minder. Veel berichten en groeten uit Timor. Scheen er juist goed te gaan, nu we weer voorraden hadden, hetgeen trouwens al bleek uit de rapporten.

14 augustus 1942
Malaria. ’s Middags de Vries op m’n kamer met ’n hoop beroerd nieuws. Eerstens verbinding met Timor, doch alleen met de Aussies, die zelf geen verbinding meer met de Dutch force. Tilomar, Memo, Suai en Lolotoi zijn door de Japs bezet. De hoofdaanval is dus blijkbaar op ons geweest. Voorts een telegram van Helfrich aan Coster over mijn benoeming tot L.C.A. Gaat er wel accoord mee, doch beperkt mijn bevoegdheden zoodanig als nooit door een marineofficier van een legerofficier geaccepteerd zou zijn. Kan de volledige portée nog niet nagaan, omdat ik het stuk, waarop het telegram slaat, niet thuis heb. En voor een dergelijke rotzooi zit ik hier, terwijl het op Timor er op of er onder is. Mij zoo kwaad gemaakt, dat nagenoeg niet geslapen.

15 augustus 1942
Ons hoofdkwartier verhuist naar een eigen gebouw naast de marine. Voel me nog niet best, hoewel Ouwehand erg tevreden is: ik ben als de dood voor een herhaling van de breakdown na Tarakan. Het algemeene oorlogsnieuws schijnt iets minder beroerd te worden, al zijn we er nog lang niet; de Russen schijnen het te houden.

16 augustus 1942
Nog geen nader bericht uit Timor. Volgens de radio hebben de rotmoffen in Holland 5 gijzelaars doodgeschoten. We moesten dat volk na den oorlog maar uitroeien, maar ’t zijn er wat veel.

17 augustus 1942
In het ochtendblad een berichtje over Timor, o.a. dat onze troepen er nog steeds vechten. Ze schijnen wat steun uit de lucht te krijgen. Geen koorts meer en ’n paar uur op.

18 augustus 1942
’s Morgens naar kantoor, ’s middags nog niet. Nieuwe hoofdkwartier is een verbetering, maar nog wat te klein. Besprak met Coster het telegram van Helfrich, dat-ie nogal lauw opnam. Schijnt de zaak toch op den ouden voet te willen voortzetten, wat me meeviel.

19 augustus 1942
Vandaag 6 maanden geleden sinds de strijd op Timor begon. Wel een stuk in de krant – ik waarschuwde de NiGiS ook – maar nog niets van de Regeering. Zelfs de gezant krijgt eenvoudig geen asem op z’n telegram.

20 augustus 1942
Weer iets beter. Hoorde vandaag relaas over de zending van Colijn van Tarakan naar Balikpapan. Schijnt zich goed gedragen te hebben en zou zelfs de M.W.O. hebben gekregen. Was met z’n drie dochters na de val van Java op weg naar Australië, doch getorpedeerd, althans nooit aangekomen. En zijn nog steeds in Tarakan geïnterneerd. Zielig. Slaap tegenwoordig slecht en zal eens wat innemen? In heel Australië geen vulpenhouders meer te krijgen: in Melbourne nog een van 5 pond. Ammenooitniet. Dan nog maar met de ouwe Jap.

21 augustus 1942
Nog steeds geen berichten van onze troepen op Timor, wel van de Aussies. Er mogen hier blijkbaar geen slaapmiddelen worden verkocht zonder doktersrecept. Nam dus gisteren twee aspirientjes en een golf whiskey, waarop goed geslapen. ’s Avonds diner in Menzies ter eere van Walter Foote, de Am. consul in Batavia, die weer bij de Ned. Ind. autoriteiten in Australië als zoodanig benoemd is, wat algemeen als een goed teeken wordt beschouwd. Gezant was gastheer en er waren van de 15 gasten twee Australiërs en drie Amerikanen. Waarom dus alles op z’n Angelsaksisch ging, met de speeches aan het dessert – dat ze dan ook prompt half verorberd onder m’n neus weghaalden – en toasten op de Koningin, de King en de President v/d V.S. waarbij iedereen luid ˶the King˝ enz. nazegt. Gezellige gewoonte.

22 augustus 1942
Vandaag Ross opgebeld, maar hij was niet thuis. Z’n vrouw kende blijkbaar mijn naam en zou hem vragen, mij op te bellen.

23 augustus 1942
Bericht, dat van der Veen met twee anderen uit Java ontsnapt is en in Rodriguez bij Madagascar terechtgekomen. Dat lapt-ie ‘m, voor de tweede keer. De bezetting van Bemlandkamp? per Amerikaansche Pby geëvacueerd.

24 augustus 1942
De helft van Queens Mansions van de Marine overgenomen voor legertroepen. Spoor terug na aflossing door van der Berge. Razend op Coster vanwege een paar onaangename telegrammen, waarvan ik natuurlijk geen afschrift kreeg. Ging over de verbindingsdienst, die – natuurlijk – in marinehanden en die ze uitbuiten om in alles hun neus te steken. Een telegram van den A.R. te Merauke aan zijn Controleur in Tanah Merah moet via het marinestation in Darwin, dat ’t doorseint naar Melbourne. Er mocht hun eens iets ontgaan. Heb sinds 1913 nog nooit zoo beroerd gediend als hier, al lijkt alles koek en ei tegenwoordig. ’s Avonds S.b.N. en Mevr. Coster mijn gasten in het hotel: vrij vervelend, maar moest wel eens iets terug doen. Gingen vroeg weg, waarop nog wat bij anderen zitten kletsen, o.a. Amerik. marineofficier R., dewelke zwaar in verband. Geïnformeerd of hij in de Solomons geweest, doch bleek uitgegleden toen hij het hotelkamerraam van z’n secretaresse binnenstapte. Hetgeen vrij stom, ’t uitglijden bedoel ik.

25 augustus 1942
De Japsche aanval op Timor schijnt te verflauwen. Er zijn 10 Hollanders bij de Aussies aangesloten. Kreeg langs clandestiene wegen inzage van een rapport van Ross over Timor, zeer anti-Nederlandsch. Ben blij dat ie niet thuis was toen ik opbelde, en dat ik nog niets van hem hoorde. Een tegenrapport opgemaakt. Coster vond ’t eerst niet zoo erg: ging ook maar over het leger.

26 augustus 1942
De tweede flat voor ons hoofdkwartier nu eindelijk ook vrij, zoodat wat meer ruimte. Bericht van vliegongeluk v/d Hertog van Kent. Ook in onze West ernstig vliegongeluk met 10 dooden. Met het middagvliegtuig naar Canberra, alwaar om 5.00 aan. Vrij goed hotel. Kouder dan Melbourne. Canberra moet vallei der winden betekenen. Komt uit. ’s Avonds naar het 18e sq kamp voor bijwonen nachtvliegen. Besprekingen met Fiedeldij.

27 augustus 1942
Inspectie gehouden en oefeningen bijgewoond. Lunch in de mess van de inheemschen. Bijna rijsttafel. Een deel van de ˶feestelijkheden˝ op 30 en 31 Aug. gaat waarschijnlijk niet door wegens Kent. Voor mijn part gaat ’t heelemaal niet door.

28 augustus 1942
Vandaag begonnen met ochtendgymnastiek. Begin n.l. een buikje te cultiveren van wegens gebrek aan beweging. Overigens ziet het oorlogsnieuws er vandaag wat beter uit. Feestelijkheden op morgen te Sydney afgelast. Jammer, zouden er met een paar bombers [Mitchels B25 bommenwerpers] zijn heen gegaan en o.a. de Oranje hebben bezichtigd. Geluncht bij de Legentiesecretaris? (fam. Craandijk). ’s Middags moeilijkheden met de Amerikanen: nu willen ze ons de goede bommenrichtkijkers weer afnemen en zelf gebruiken. Het is een eindeloos gevecht met iedereen, Aussies, Amerikanen, onze eigen marine en ik krijg er soms zoo genoeg van.

29 augustus 1942
Getelefoneerd met Sandberg in Brisbane over de richtkijkers. Bericht in de krant, dat H.M. terug in Londen. Een heel ding op Haar leeftijd, die oceaanvluchten. Niet veel meer uitgevoerd van m’n speech voorbereid voor 31 Aug.

30 augustus 1942
Pieker de laatste dagen weer te veel, o.a. over de brieven van Nell, die in Japsche handen zijn gevallen. Moet ik niet te veel over piekeren, maar ’t is erg moeilijk. Hoop nog steeds, dat de heele bende verbrand is, wat meteen verklaren zou, waarom de Japs m’n dagboek niet hebben gepubliceerd om de Portugeezen tegen ons op te zetten.

30 augustus 1942 (om onduidelijke reden tweede keer genoemd)
Vandaag beëediging nieuwe officieren. N.B. een der dingen, waar ik voor gekomen ben, maar ik ben er niet bij geweest. M’n auto is geslipt op weg naar het hotel en was er op het aanvangsuur nog niet. Ook niet de tweede, die gestuurd was. En ’t is 20 km. rijden. Dus Fiedeldij opgebeld om maar te beginnen en zelf de inspectie te houden: ik kan alle uitgenoodigde gezanten en regeeringsvertegenwoordigers moeilijk ’n half uur in de kou laten staan wachten. Na de plechtigheid de beëedigden in de mess nog even toegesproken, waarna een drankje. En ik zal morgen m’n auto een uur vroeger laten komen.

31 augustus 1942
Hondenweer. Ontzettende wind, zoodat ‘t defilévliegen afgelast. Om 10.00 de Ned. gezant ontvangen en met hem den troep geinspecteerd, die daarna toegesproken of liever toegeschreeuwd vanwege de wind. Daarna een glas champagne weggegeven in de officiersmess en weer gesproken, aangezien gezant niet wou. Kokadorus in Australië.’s Middags kerkdienst onder Ds. Visser; wel goed maar ontzettend koud in de kerk. En volgens de radio hebben de Japs een behoorlijke tik gekregen op Nw. Guinea, hetgeen het beste van de heele dag.

1 september 1942
Naar ’t vliegveld om te hooren dat de plane niet zou landen wegens het slechte weer. Dus de nachttrein besproken en daarin ’s avonds direct te kooi. Als maar koud.

2 september 1942
Om 6 uur gewekt door de conducteur met de boodschap als dat-ie sorry was, maar dat we in Sydney waren, in plaats van in Albury, waar we hadden moeten overstappen voor Melbourne. Onze wagon was verkeerd aangehaakt. Iedereen nam ’t nogal goed op. This is Australia. Was om iets over half 7 op de Oranje en liet Snijdewint? uit z’n kooi visschen. Vond ’t nogal vroeg. Ik niet, althans niet voor ’n kop koffie. Het schip bezichtigd samen met een marinedokter van de Free French, die tegenwoordig Fighting French heeten.’s Middags een soldaat uit Timor opgezocht, die in een hospitaal buiten de stad lag, of liever niet lag, want hij was wandelen. Een paar zaken afgehandeld op het consulaat en toen weer naar boord. ’s Avonds een gratis wagon in de nachttrein voor de gestranden. Vroeg de conducteur, of we nu misschien in Brisbane zouden ontwaken, maar hij had geen gevoel voor humor. Wel voor twee shilling.

3 september 1942
Geen auto aan ’t station, maar wel Mevrouw Schout-bij-nacht met de hare. Niet om mij, maar om haar zoontje af te halen. Bracht me toch maar naar ’t hotel. Onderweg 2 minuten stilte vanwege algemeene biddag voor 3 Sept. 1939. Typisch gezicht, het heele verkeer stoppend midden in de city.’s Middags naar ’t kantoor en geschrokken van de berg papier van die paar dagen. De Vries bleek Mevr. Larkins te hebben uitgenoodigd voor dinner, wat ik maar heb overgenomen: je bent jarig of je bent niet jarig. ’s Avonds nog kennissen van hen ontmoet, d.w.z. één, die nog twee anderen bij zich had en met ’t heele zwikkie – weet bij God niet hoe ze heeten – de nieuwe flat van de Vries bezichtigd. En een tikkeltje te veel whiskey.

4 september 1942
Veel werk en veel hoofdpijn. Whiskey, bah! Tijdens mijn afwezigheid is Snell op Darwin aangespoeld met bericht, dat Edwards v M. met 25 man op Ngaibor zit. [Jules] Tahya is met 6 man ook in Australië aangeland. In Timor is de Japsche aanval mislukt. Onze troepen zijn met 120 man bij de Aussies aangesloten: we missen twee officieren en ± 180 man. Had nog erger kunnen zijn. Volgens de Jap. radio zou de Jong op Celebes gevangen genomen zijn. Tahya schijnt goed op getreden te zijn op Saumlaki: wordt zoo op het eerste gezicht wel een M.W.O. Lang gesprek met Major Cape, die pas terug uit Timor. Niet zoo erg te spreken over Breemouer.

5 september 1942
Naar de races op Flemington met de Vries, die Laive? en Ivory van de Shell. Veel mooier terrein dan Ascot. En maar de helft verloren van de vorige keer. Daarna cocktailparty bij de Holl. consul, Col Wright. Heb er dus weer een hoop kennissen bij.

6 september 1942
Nog 30 man meer terecht op Timor. Tahya voorgedragen voor de M.W.O.

7 september 1942
De Vries vandaag in z’n flat getrokken; Spoor met ziekenverlof en daarna ook in een flat. Wygh? is ook al weg. Wordt vrij vervelend in het hotel. Kan nog steeds niet tegen alleen zijn.

8 september 1942
Kreeg plotseling het idee, om eens naar Canada te schrijven: stom, dat ik daar niet eerder aan gedacht heb. Misschien hebben zij nog kieken. Frans en Meet hadden ook niets. Naar de dokter voor nieuw onderzoek. Nog steeds niet tevreden en weer nieuwe pillen.

9 september 1942
Voorraden afgeworpen bij Edw. v. Muyen. Bericht, dat de Aussies hun troepen op Timor gaan aflossen. Aan ons natuurlijk niet gedacht: enfin, misschien begrijp ik niet, wat operational command beteekent. Sandberg opgebeld om ’t in orde te maken.

10 september 1942
Nog geen antwoord van Sandberg. Toch maar begonnen, aflossing voor te bereiden. ’s Avonds met de Vries gegeten bij de dames v/d Berg en Karsen uit ’t Alexanderhotel. Wel gezellig maar wonen ’n reuzeneind weg.

11 september 1942
Bericht van Sandberg, dat de Amerikanen Merauke weer willen ontruimen en wat wij nu met onze troepen wilden doen. Besproken met S.b.N. en ’t niet eens. Ik voel er niets voor om er te blijven en nog meer troepen in kleine plukjes op te offeren. Hij wel, vanwege ’t politieke belang. Zooals Dobe, Toeal en Saumlaki zeker. Het zijn niet allemaal Tahyas. ’s Avonds weer naar Balwyn op telegrafische uitnoodiging. Was ’n heele club, o.a. Simons, die off. van adm. was op de Soerabaja bij de landing in Dilly. Bar laat geworden.

12 september 1942
Conferentie over Merauke met Coster, v Hoogstraten en den Gezant. Gezant ’t met mij eens, en van Hoogstraten met Coster (wat ’n wonder), maar lieten het tenslotte aan mij over. Hetgeen logisch. Coster valt mee wat betreft het nemen van de consequenties van zijn besluit, om mij LCA te maken. Naar Gen. Northcott om eerst eens te probeeren of de Aussies geen troepen voor Merauke kunnen leveren. En daarna Gen. Sutherland, de chef van de staf van MacArthur in Brisbane opgebeld. Wist van niks. Het is me toch een rotzooitje, bij die Amerikanen ook al. Blijkt een plan van Chamberlin te zijn, dat-ie vóór goedkeurig maar vast had doorgegeven. ’s Avonds met T en N. uit (Oriental, flat de ViClaridge’s ?). En om half 4 thuis.

13 september 1942
Had willen uitslapen, doch ging niet door wegens telegram over evacuatie Edwards v Muyen van Wgaibos?. Hierover naar Landforces op Victoria Barracks. ’s Middags conferentie met Fiedeldij en een paar anderen, die ik daarna had opgeroepen. Welbestede Zondag voor Australië.

14 september 1942
De Japs bezetten Kokanau. Geruchten over a.s. aanval op Merauke. Aankomst van een detachement van de Irenebrigade uit Colombo. Bijna allemaal afgekeurd voor de tropen. Vandaar zeker, dat ze naar het Indische leger gestuurd worden. Gegeten met de Gezant, Spoor, Smits en de Laive en Gezant krankzinnige verhalen over z’n tijd in Perzië. Schijnt nog erger te zijn dan Australië.

15 september 1942
Gisteren typeerend staaltje in de radio over de stemming hier t.a.v. de oorlogsvoering in de Pacific. Was een zoogenaamde Quiz, ons ˶Wie en wat is dat?˝

Vraag: Als er een race wordt uitgeschreven tusschen MacArthur en ’t Kerstmannetje, wie win ’t dan?  Antwoord: Weet ik niet. 
Repliek: MacArthur natuurlijk. Maar waarom?  Antwoord: Weet ik veel. 
Oplossing: Omdat ’t Kerstmannetje niet bestaat! Nogal sterk voor ’n gecensureerde radio in oorlogstijd.

16 september 1942
Snell terug uit Darwin. Was nogal zenuwachtig, wat geen wonder. Was door de Japs gevangen genomen, waarop de schoften hem wilden doorsteken. Bajonet afgestuit op ’n brillenhuis en ontvlucht, door in ’n moeras te duiken. Een paar nagezonden schoten mis. De Japs dringen sterk op in de Solomons en in Nw. Guinea. Als ze niet oppassen, wint ’t Kerstmannetje toch. En de Schout-bij-nacht naar Perth.

De laatste bladzijde van het kladboek.