Skip to content

KNIL verzet Timor 1942 

Max Horstink

Max Horstink 1942 (Australië)

Auteur: Bas Kreuger
Met dank aan Jan Horstink

Kapitein Max Horstink (1914 – 1945)­­­
Max Horstink overleed in oktober 1945 bij het begin van de Bersiap periode in Indië. Op de verkeerde plek, op de verkeerde tijd kon de veelzijdige KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) officier niet aan de situatie ontkomen waarin hij verzeild was geraakt. “His luck ran out” zouden de Engelsen zeggen, want Horstink was al veel vaker door het oog van de naald gekropen tijdens de oorlog. Als guerrilla op Timor, als bommenrichter bij het 18esquadron ML-KNIL en als inlichtingenofficier gedropt achter vijandelijke linies op Borneo, had hij vele riskante operaties uitgevoerd.
Een ogenschijnlijk eenvoudige reis van Batavia naar Bandoeng in een weliswaar chaotisch Indonesië van kort na de Japanse capitulatie, veranderde voor de groep waarin Max Horstink reisde in een nachtmerrie met een triest einde.

Inleiding

Max werd op 22 juli 1914 in Kendangang Zuid-Oost Borneo geboren. Zijn ouders, Theo Horstink en Louise Horstink-Tichelaar, woonden daar vanwege de functie van zijn vader die als Kapitein KNIL bij de Topografische Dienst aldaar gestationeerd was. Theo Horstink was een bekende topograaf en lector aan de Universiteit van Bandoeng.

Na zijn middelbareschooltijd koos ook Max voor een militaire loopbaan en ging naar Nederland voor de opleiding tot infanterie-officier bij het KMA in Breda. In augustus 1935 maakte hij de opleiding af en werd tot 2e Luitenant bevorderd. In Nederland was hij getrouwd met mejuffrouw Greta (Greet) Amalia Oudkerk. Ze kenden elkaar al uit Borneo waar Greet Max als klein jochie een onuitstaanbaar ventje had gevonden. In Den Haag viel ze als een blok voor de jonge officier die te paard bij haar huis zijn opwachting kwam maken. Begin 1936 reisde het stel terug naar Indië waar Max met zijn loopbaan zou beginnen.

De plaatsingen voor de jonge officier in diverse kleine garnizoenen bleek een behoorlijk eentonig en saai bestaan. Horstink was een ondernemend en onderzoekend man, zoon van een wetenschapper, en zocht meer uitdaging. Omdat de vliegafdeling van het KNIL een enorme expansie kende in die tijd was het dan ook niet verrassend dat Max samen met zijn jaargenoot van het KMA, Dick Berlijn, de vliegeropleiding ging volgen. Na anderhalf jaar opleiding bij de vliegschool in Andir, ontving Max in juli 1938 het Groot Militair Brevet als vlieger, een paar maanden later gevolgd door dat van Waarnemer. Niets stond een carrière als vlieger boven de archipel in de weg. Des te verrassender is het in zijn dienststaat te lezen dat driekwart jaar later beide brevetten werden ingetrokken. De verklaring van zijn zoon, Jan Horstink, is dat kort na de brevetering van zijn vader de zus van Max, Maud, na een kort ziekbed overleed aan malaria.

De familie was zwaar aangeslagen en vader Theo zag in de loopbaan van Max als vlieger teveel risico. Via zijn contacten binnen het KNIL en in samenspraak met zijn zoon, wist Theo hem uit de vliegerij te krijgen en overgeplaatst naar de Topografische Dienst. In de dienststaat van Max is dat met een wat merkwaardige omschrijving “voldoet niet langer aan de vereisten voor het militair brevet” aangegeven.

Tussen oktober 1939 en juli 1941 kreeg Max verschillende functies tot hij eindelijk bij de Topografische Dienst geplaatst kon worden. Nauwelijks was die plaatsing een feit of de oorlog brak uit. Op 9 december 1941 werd het VIII Bataljon Infanterie in Malang zijn mobilisatiebestemming en een week later volgde met een deel van dit bataljon plaatsing bij de Dilly expeditiemacht voor Timor. Samen met Australische troepen (Sparrow Force) zou het KNIL het eiland Timor (wat verdeeld was in een Nederlands en een Portugees deel) als belangrijke “stepping stone” tussen Australië en Indië bezetten en bewaken. Met het KPM schip Pijnacker Horndijk en Hr Ms Pantserkruiser Soerabaya werden de troepen en uitrusting naar Koepang op Nederlands Timor overgebracht.

Timor
Max werd ingedeeld bij de 3e compagnie en met de SS. Pijnacker Hordijk naar Dilly in Portugees Timor verscheept. Hoewel de Portugezen officieel protest aantekenden tegen de bezetting van hun kolonie door de geallieerden, werd de invasie gedoogd en werd in de praktijk goed tussen beide partijen samengewerkt. Zodra Portugese versterkingen uit Oost Afrika zouden zijn gearriveerd, was afgesproken dat de geallieerden zich zouden terugtrekken naar het Nederlandse deel van het eiland.

In Dilly voerde Max Horstink het bevel over een afdeling samengesteld uit een deel van de 3e compagnie van het VIII bataljon en twee mortiersecties van het XIII bataljon. Zijn afdeling gebruikte de Portugese School als onderkomen en was ook verantwoordelijk voor het bij de school gelegen levensmiddelen- en munitiedepot. Max’s afdeling moest de munitie aanleveren aan de stellingen en had een sectie onder bevel van Adjudant Nauta, verantwoordelijk voor de verdediging van de zuidrand van Dilly bij de pasar. In de afdeling zat ook Militie-Sergeant 2e klasse Paul de Vrijer. Deze schreef over Max in zijn dagboek “Onze commandant was daar de luitenant Max Horstink, een kerel uit duizenden, die nooit beloond werd voor zijn dapper gedrag, ook later na Timor niet.” Er werden versterkingen aangelegd om Dilly tegen een Japanse aanval te kunnen verdedigen. Bij de vuurtoren nabij de haven, was een artilleriestelling met 7.5 cm geschut onder 1e Luitenant de Winter geplaatst.

Japanse aanval
De artillerie was de eerste die in gevecht kwam met de Japanse oorlogsschepen in de nacht van 19 – 20 februari 1942. Bij de schotenwisseling werd het geschut al snel getroffen door accuraat Japans vuur.
De 1500 man Japanse landingstroepen van het 228 Regiment Infanterie werden buiten bereik van Nederlands geschut en zoeklichten ten westen van Dilly bij de monding van de Comoro rivier aan land gebracht. Van hieruit konden zij zowel snel het vliegveld bereiken en bezetten als de terugtocht van Nederlandse troepen vanuit Dilly naar Nederlands-Timor afsnijden.
Horstink kreeg bevel de mortiersectie in stelling te brengen op het plein van de kathedraal van Timor.

De Vrijer en een aantal soldaten kreeg van Horstink de opdracht munitie naar de nabij gelegen mitrailleurstelling te brengen. Onder hevig Japans vuur brachten ze een aantal kisten munitie naar de zeezijde van waaruit gevochten werd. Veel manschappen raakten onder vuur in paniek en renden weg. De volgende morgen zag de Vrijer her en der de achtergelaten kisten munitie staan.
Vanuit zijn positie bij de kathedraal zou Horstink met zijn mortieren Japanse troepen west van Dilly onder vuur kunnen nemen. Door verbroken verbindingen en onduidelijkheid waar Nederlandse troepen lagen, kon het vuur niet worden geopend vanwege het risico eigen manschappen te raken.
De Australische bezetting van het vliegveld, 18 man van de 2/2 Independent Company, dolf het onderspit tegen de Japanse overmacht en trok zich al vechtend terug de heuvels in. Zelf dachten de Australiërs de Japanners gevoelige verliezen toegebracht te hebben, zeker 200 man[1]. Na de oorlog bleken de Japanse troepen zeven man verloren te hebben.
Om aan afsnijden te ontkomen, besloot Lt-Kol van Straten met de zijn Nederlandse troepen uit Dilly weg te trekken naar het zuidwesten, richting Nederlands Timor. Het was uiteindelijk een groep van 40 man waarmee van Straten rond 06.00 uur wegtrok, de overige troepen daarover niet informerend.

Horstink liet de twee mortieren demonteren en samen met de munitie meevoeren in de troep van Paul de Vrijer. De Vrijer schrijft “Na de val van Dilly begon […] een nachtmerriemars door de rimboe om Atamboea te bereiken. Inderdaad een nachtmerriemars want na de eerste dag waren wij al doodvermoeid en nauwelijks meer in staat om na de klimpartij nog behoorlijke marsen te maken. Van inspanning en transpiratie waren wij doornat en de kapitein (de Jong, red.) besloot de nacht door te brengen in een nauwe rotsachtige goot van ca. anderhalve meter breedte, aan de kant van de weg. Onze mortieren en granaten hadden wij inmiddels gedumpt.”
De Vrijer zat bij het eerste gedeelte van de zich terugtrekkende troepen, Horstink achteraan bij de veegploeg die steeds groter werd met zich erbij voegende manschappen.

Terugtocht naar Nederlands Timor
Nadat van een ordonnans het bevel tot terugtocht van Overste van Straten was ontvangen en zijn munitiedepot door de genie was opgeblazen, vertrok Max met ongeveer 40 man de bergen in naar de afgesproken verzamelplaats Aer Ljen. Sergeant A. Hoorneweg vertelde hier het volgende over:
“Het zal ongeveer half twee geweest zijn toen we bij een kleine kali kwamen waar we een kleine rust zouden houden. Juist toen we aan het bespreken waren, hoorden we stemmen dicht bij ons. Ieder was op zijn hoede. Ongeveer 50 meter oostelijk van ons groepje zagen we Lt Horstink de kali oversteken. We riepen hem aan en stelde ons onder de bevelen van Lt Horstink. De Lt had zelf 40 man bij zich. Onderweg kwamen er nog meer groepjes bij die van hun eigen groep waren afgedwaald. Om 18:00 uur kwamen we in de stromende regen in Aer Ljen aan. Van de overste van Straten was niets te zien.
s Avonds kwamen we in Kailakoe aan en vonden daar een compagnie Australiërs onder Captain Bowland. De Australische captain vertelde Lt Horstink dat de overste van Straten naar Atamboea was gegaan (27 februari 1942) en dat Lt Horstink zich onder de bevelen van captain Bowland moest stellen.”

Max wierp zich op als verbindingsofficier van het daar gelegerde Australische deel van het 2/2 Independent Company. De Australische Luitenant Colin Doig over deze periode:
“After a night at Villa Maria without shelter, the (B) Platoon received orders to move to Hatolia, a small Portuguese Posto a few miles further on. This was a bit better! At least there were a few buildings in which the troops could rest a while although the food position was still pretty grim. Here the Company was to come into contact with Portuguese officialdom for the first time. The Chef de Posto was not very co-operative. He objected strongly to our taking over his post and his telephone line. However his protestations were unavailing as luckily we could not speak his language and thereby thought he was agreeing to our highway robbery. Here luck turned our way slightly as it was found that the Dutch had cached some tinned food in the area (een KNIL voedsel en munitiedepot voor 600 man) and this was attacked with great gusto. The arrival of some Dutch soldiers under Lt. Max Horstink placed the rations on a fair basis between Aussie and Dutchie. Horstink was an excellent type of Dutch officer and made a great impression on those who met him at this stage and this impression lasted throughout the campaign. He was a great boon at that moment as he had a terrific grasp of the languages of the island and for the first time we were able to, through him, converse with the natives and get their point of view and know where they stood in relation to the Jap. They seemed to be all our way, thank heaven. Once again through Horstink we were able to assist our larder as natives started to bring in eggs, fowls, bananas and even a buffalo. These natives were firmly convinced that Aussie soldiers were primarily there to assist them to get rid of the Portuguese yoke! This was the beginning of our real association with the Timorese native.
What a profitable investment it was to be!”

De 80 KNIL militairen, voornamelijk inheemsen, werden opgedeeld en toegevoegd aan de drie Australische Platoons van het 2/2e. Begin maart 1942 beval de Expeditie-commandant, Lt Kolonel van Straten, Horstink om zich in Atamboea te melden. Het onderbrengen van 80 KNIL-militairen bij de Australische eenheden was niet overeenkomstig de afspraken die Van Straten had gemaakt met Brigade Generaal Veale, de commandant van de geallieerden in Timor. Maar de dag erop had van Straten Atamboea al verlaten.
Op 7 maart kreeg Max van Captain Bowland opdracht om zich naar Hailula te begeven. In april hoorde Max dat van Straten zich in Lebos, Portugees Timor bevond. Max wilde de overste daar het voorstel doen om terug te gaan naar Dilly, maar kreeg opdracht om met zijn troep naar Memo, nabij de grens met Nederlands Timor, te gaan. Vervolgens kreeg hij opdracht zich aan te sluiten bij de afdeling Tilomar.

Periode maart 1942 – Hergroepering in Portugees Timor
Op 3 mei 1942 kwamen ze daar aan. De afdeling Tilomar, commandant Kapitein Breemouer, was toen al één maand operationeel. De andere afdelingen waren die van de kapiteins Van Swieten (afdeling Dacola) en De Jong (afdeling Forohem).

In Australië waren Australische en Nederlandse autoriteiten in de veronderstelling dat Sparrow Force (het Australische deel van de geallieerde troepen) en het Nederlands Timor detachement krijgsgevangen was gemaakt en er geen weerstand meer werd geboden. Australische manschappen bleken in staat een radiozender te fabriceren uit diverse onderdelen en op 19 april het contact met Darwin in Australië te herstellen. Deze radio, ‘Winnie the war winner’ was essentieel voor het kunnen blijven voeren van de guerrilla. Dankzij de herstelde radioverbinding kon met Australié besproken worden voorraden, bewapening, munitie en kleding af te werpen bij de guerrilla’s. Sergeant Hoornweg hierover: “De volgende dag om 10:00 uur kwam Lt Horstink terug van Beho met veertien kisten met Tommy guns, Lee Enfield geweren, munitie , levensmiddelen kleren, schoeisel tabak e.d. Wat waren we blij dat we kleren hadden, want de meeste liepen met lompen aan het lijf.”

Op 24 mei 1942 werden van Straten en Brigadegeneraal Veale naar Australië ontboden. Kapitein Breemouer en Lt Colonel Spence namen het commando over. Op 1 juni 1942 stuurde Max het volgende bericht aan Spence:

“Dear Sir, This is a nice occasion to congratulate you with your promotion. It’s a pity I cannot do it personally. Since I left you, much happened and our situation is much better. That you could receive the announcement of your promotion shall be the sign that new and better days are coming and that we soon will retake our forlorn positions. That we are still living here as a power is in the first place your work and I believe that your promotion is an appreciation from your government. With excuses for paper and bad English, yours sincerely, Lt M. Horstink”

Het Augustus Offensief

Op 10 augustus 1942 trokken de Japanners vanuit Nederlands Timor de grens over en vielen de Nederlandse afdelingen aan. In Beco kwamen Japanse troepen aan land. Zij werden door Amerikaanse en Australische bommenwerpers bestookt na melding van de vijandelijke landing per radio. De Australische eenheden werden vanuit Dilly aangevallen, zij konden zich gelukkig goed verweren.
Dorpen in het gebied werden door de Japanners gebombardeerd en de Japanners bleken in staat diep het gebied in te trekken. Paul de Vrijer over de gevechten bij Lolotoi:
“Gelukkig kregen wij in Maucatar iets te eten want wij hadden sedert ons vertrek uit Tilomar niets meer gehad. Dat was dus ruim twee dagen geleden. Die eerste nacht na Tilomar verbleven wij in een droge rivierbedding. Het was een ontredderde bedoening; er werd niet eens een wacht ingesteld.
Van Maucatar trokken wij verder naar Lolotoi. Was onze terugtocht van Dilly naar Atamboea een puinhoop; deze terugtocht was iets ontzettends. Niemand wachtte op niemand, iedereen liep maar en het werd weer een kilometers lange slinger. Gelukkig werd halt gehouden in de kali beneden Lolotoi, de Olan rivier. Zo konden vele achterblijvers bijkomen. De Jap had Lolotoi echter eerder bereikt en terwijl wij in de kali zaten, hoorden wij boven de schotenwisseling. Terwijl wij nog zaten te delibereren wat wij zouden doen, want wij hadden vrijwel aan een stuk gelopen en waren toen tot niet veel in staat, riep luitenant Horstink zijn mannen bij elkaar en hij sprak toen woorden die mij een goed inzicht gaven in zijn instelling en zijn moed en die ik nooit vergeten zal: “Mannen. Lolotoi wordt aangevallen, onze kameraden hebben hulp nodig; rechts uit de flank mij volgen”. En meteen liep hij de berg op. Voor mij – en ik denk voor vele anderen die het hadden gehoord – deden deze woorden wonderen. Bijna enthousiast liepen wij achter hem aan, zij het dan ook na toestemming van onze eigen commandanten”

Vervolgens werd teruggetrokken naar Bobonaro en daarna Mape. Kapitein

Japans Augustus offensief 1942

Breemouer beval dan de KNIL-troepen terug te trekken naar het ver oostelijk gelegen plaats Viqueue. Echter bereikte het bevel Max niet en hij en zijn troep bleven ter plaatse. Ook nu fungeerde de groep van Max Horstink weer als een soort veegploeg waarin verschillende manschappen bijeen kwamen. Het offensief eindigde in de nacht van 18 op 19 augustus en daarna is Horstink in feite de enige officier die contact heeft met de ongeveer 500 Australische guerrillastrijders. Max werd door hen gezien als de reorganisator van de KNIL-troepen in de gebieden Ainaro en Bobonaro.

Periode oktober-december 1942

Begin oktober 1942 was Max commandant van een afdeling gelegerd in het gebied ten noorden van Raimea, in het midden van Portugees Timor. De Japanners zaten in Bobonaro, bij de Nederlands Timoreese grens.

In de bewaarde berichten tussen het 2/4 Independent Company, op 23 september 1942 gearriveerd in Portugees Timor, en het 2/2 Ind. Company van de maand november 1942 werd van de KNIL-militairen alleen de naam van Max Horstink genoemd. Hij kwam regelmatig in de diverse berichten voor en leek een belangrijke positie binnen de Australische organisatie te hebben.
Zijn sectie had regelmatig vuurcontact met Japanse troepen en hun Timoreese hulpers.

21 October: “Natives rumoured Japs arrived at junction Mola river and Mape. Horstink ordered to investigate”.

3 November: “Horstink advises an op(eration) on Bob(onaro) is possible. A sub section required for job as natives are not completely friendly”

6 November: “Today 05.30 section Horstink attacked by Japs near junction tracks Mape – Airnaro – Hatahudo. Details not yet available”.

20 November: “BANO rptd MACO v FOMO W68 5 – HORSTINK reports result bombings BOB(onaro) of NOV 20. Direct hits on barracks and house Adm(inistrator)”

In het dagboek van de Nederlandse troepen op Timor staat vermeld:
“21 Nov. 11.00 uur machinegeweervuur en geweervuur gehoord uit richting Horstink. Van Haren rapporteert 14.05 geweer en machinegeweervuur gehoord uit richting Horstink. Grote branden richting Cassa, bevolking Lias vlucht richting patrouille Van Haren, overkant Kali. O.P. Sucrai (Austr. C. Platoon) meldt vuren gehoord te hebben. Branden waargenomen richting Raimea.
18.00 rapport van Horstink ontvangen: Japs patrouille trachten zijn stelling te omsingelen. 8.45 – 9.00
Japs patrouille van richting Cassa naar bivak Horstink. Om omsingeling te voorkomen afd. lt. Horstink terug naar Oostzijde. Lias, van Lias terug richting Hato-Udo. Bij Lias aangekomen brengun vuur uit richting oude bivak en branden waargenomen (11.00) 2 man vermist. Afd. Lt Horstink neemt thans stelling op weg Lias-Hato-Udo”

Begin december kreeg Max het bevel zich weer bij de Nederlandse troepen aan te sluiten. Door zijn periode bij de Australiërs is de Nederlandse commandant, kapitein Breemouer, niet op de hoogte van de verrichtingen van Max.1 Dit heeft ongetwijfeld zijn weerslag gehad op de toekenning van dapperheidsonderscheidingen voor de gevechten op Timor. Max Horstink ontbreekt in de lijst van gedecoreerden. Zowel van Straten als Breemouer hadden er problemen mee dat Max steeds contact had met Spence en Boyland en hierdoor hen passeerde.

Evacuatie naar Australië
Eind 1942 was de situatie van de geallieerde troepen op Timor zo zwak geworden en het belang van het eiland te gering binnen de plannen van Generaal MacArthur dat het besluit genomen werd de troepen te evacueren.
In de nacht van 10 op 11 december 1942 werd Max met zeven andere officieren en ongeveer 190 KNIL- militairen en een deel van het 2/2 Ind. Coy met de Nederlandse torpedobootjager Hr. Ms. Tjerk Hiddes naar Darwin overgebracht.

Hr. Ms. Tjerk Hiddes

De mannen werden na aankomst in Darwin per trein naar het dorp Larrimah vervoerd waar ze medisch onderzocht werden, in quarantaine gehouden en konden herstellen van de ontberingen. Een maand later werd Horstink overgeplaatst naar Nr 3 (Timor) company in Darley Camp in Melbourne.

Australië en inzet in Nederlands Indië.

Max bleef daar tot 5 maart 1943 waarna plaatsing volgde bij het Nederlandse 18e Squadron ML-KNIL, een eenheid middelzware bommenwerpers welke opereerde binnen de structuur van de

Australië, Darley Camp 1943. v.l.n.r.: Lt. de Winter, Kapt. Breemouer, Lt. Zijlstra, Lt. Horstink

RAAF (Australische Luchtmacht). Het 18e was op dat moment gestationeerd op de vliegstrip Mac Donald, even ten zuiden van Darwin. Max keerde dus terug naar de militaire vliegerij, niet als vlieger, maar als waarnemer/bommenrichter. Om weer op niveau te komen als navigator-bommenrichter kreeg hij een opfriscursus op het vliegveld Archerfield bij Canberra tot hij gereed was voor operationele vluchten vanaf Mac Donald.

Het 18e had veel last gehad van gedemoraliseerd personeel na de val van Indië. Commandant Fiedeldij en zijn staf probeerden zaken op orde te krijgen maar ondervonden weinig begrip en steun bij de commandant Landstrijdkrachten Luitenant-Kolonel van Straten die na zijn evacuatie uit Timor in mei 1942 op het hoofdkwartier in Melbourne zat.
De verhouding tussen Fiedeldij en Van Straten liep dermate uit de hand dat Generaal van Oyen, de Legercommandant KNIL maar op dat moment Commandant van de Nederlandse vliegschool in de Verenigde Staten, in moest grijpen. Hij liet Van Straten passeren door het ML personeel op Mac Donald tot een hogere officier van de Militaire Luchtvaart, Lt Kolonel Te Roller, de belangen van de Militaire Luchtvaart in het Hoofdkwartier kon gaan behartigen. Dat was pas in maart 1943.

Samen met Max Horstink was nog een andere Timor veteraan bij de eenheid gekomen, reserve 2e Luitenant C.L. Begeman. Hun komst was zeer welkom. Er waren slechts 11 navigator waarnemers en de meesten hadden slechts een beperkte kennis van navigatie. Gelukkig kon men de navigatie-expert reserve 1e Luitenant Jan van Balkom (een KLM vlieger) aantrekken om opleidingen te verzorgen. Ook Begeman en Horstink moesten een herhalingscursus navigatie volgen alvorens operationeel te gaan vliegen.
Naast Begeman en Horstink kwamen er meer Timor veteranen naar het 18e squadron in de vorm van een 10-tal soldaten en korporaals voor de algemene dienst.

B-25 van 18 squadron op MacDonald – foto Clinton Bock – coloured by Milepegsnt

Vanaf januari 1943 was het 18e, na een lange aanloop tot gevechtsgereed komen, operationele missies gaan vliegen.

De eerste missie van Horstink vond op 6 april 1943 plaats. Een missie naar Dilly op Timor. Het moet Max toch een bijzonder gevoel hebben gegeven dat hij nu in een bommenwerper boven het eiland hing waar hij bijna een jaar in uiterst moeilijke en gevaarlijke omstandigheden had geleefd en gevochten. Tijdens de missie van drie B-25’s ging een toestel verloren door een motorstoring direct na de start. De N5-130 met Luitenant-Vlieger Gus Winckel aan het stuur en Max als navigator, zette met een tweede B-25 de verkenning voort. Na Timor op 1200 voet benaderd te hebben, daalden de toestellen tot een hoogte van 10 voet(!) wat een kleine drie meter boven zeeniveau was om zo onopvallend mogelijk de wateren rond Timor op Japanse scheepvaart te verkennen. Er werd niets waargenomen en na Timor op boomtophoogte overgestoken te zijn, vliegend dwars door valleien waar Max met grote moeite doorheen gemarcheerd was, keerden de toestellen met hun bomlading terug op McDonald air base.

Zijn operationele tour eindigde met de missie van 22 september. In zijn dienststaat is terug te vinden dat Max op 19 september al was overgeplaatst naar 119 Squadron. Het had in de bedoeling gelegen nog een tweede B-25 squadron op te richten en gezien de aantallen bemanningen die van de Nederlandse vliegschool in Amerika kwamen, had dat ook wel gekund. Waar het echter aan ontbrak, was voldoende grond- en onderhoudspersoneel. Die zouden, net als bij 18 squadron, van de RAAF, de Australische luchtmacht, moeten komen. De RAAF was daartoe niet in staat. Ze kon haar eigen squadrons al nauwelijks bemannen, laat staan een extra eenheid van de Nederlanders. Dat squadron kwam er niet, wel een jachtvliegsquadron met veel lagere personeelsbehoefte, maar dat zal voor Max als waarnemer- bommenrichter geen geschikte eenheid zijn geweest.
Max werd op eigen verzoek in Melbourne bij de NEFIS (Netherlands Forces Intelligence Service) inlichtingendienst geplaatst. Opvallend is ook dat Horstink te boek bleef staan als 2e Luitenant infanterie en niet als (vlieger) waarnemer.

HQ NEFIS 225 Domein Road South Yarra Melbourne (foto via Peter Dunn ozatwar.com)

Het zal een periode van relatieve rust en in elk geval fysieke ontspanning voor Max geweest zijn. Melbourne was de locatie van veel geallieerde bureaus, hoofdkwartieren en organisaties. Tienduizenden militairen, veelal Amerikanen, bevolkten de stad en domineerden het uitgaansleven.
Een bezoeker elders uit Australië schreef: “Melbourne is full of soldiers, most of them American, it is full of men in uniforms, military cars and lorries painted khaki… Crowds of people swarm in the main streets, trams are full to overflowing…”

Zijn dienststaat geeft aan dat Max tot begin juni 1944 bij de NEFIS was geplaatst. Ergens in die periode moet hij bevorderd zijn tot 1e Luitenant, dat is echter niet aangegeven.
Op 1 juni 1944 werd hij ter beschikking gesteld door de Chef Generale Staf aan de NICA-organisatie ter indeling bij een van de NICA-detachementen.
De NICA, Netherlands Indies Civil Administration, was het gemilitariseerde burgerlijk bestuur dat na herovering van delen van Nederlands-Indië door de geallieerden na verloop van tijd het gezag van de militairen moest overnemen.

MacArthur, opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten, stond geheel achter van Mook omdat hij behoefte had aan een organisatie die het burgerlijk gezag zou gaan uitoefenen. De NICA had een connectie met Timor in het feit dat de naam NICA bedacht is door Kolonel van Straten en hij ook de functies SONICA (Senior Officer NICA) en CONICA (Commanding Officer NICA bij een detachement) hun naam gaf.
Op 22 april 1944 vonden de eerste amfibische landingen in door de Japanners bezet gebied, in Hollandia, plaats. Direct volgend op de gevechtstroepen (waar ook Sergeant-Majoor Paul de Vrijer, Timor veteraan, bij geplaatst was) kwam het eerste NICA detachement aan land. SONICA was Kolonel Abdulkadir, een Javaanse bestuursambtenaar.
Na Hollandia volgden landingen bij Wakde (17 mei), Biak (27 mei), Noemfoer (2 juli) en Sansapor Mar (31 juli). Op elk van deze locaties kwam een NICA detachement in actie, zo ook in Sansapor.

Max Horstink werd, inmiddels bevorderd tot Kapitein, op 12 juni aangesteld als waarnemend CONICA van het NICA detachement IIc bestemd voor Sansapor, tevens commandant van het daarbij behorende infanterie   element. Deze infanteristen moesten zorg dragen voor de bescherming van het NICA kamp.

De eerstvolgende bijzondere actie waar zijn naam aan verbonden was, was een verkenning achter de Japanse linies op Borneo. Hier kwamen veel elementen van de kennis en oorlogservaring van Horstink samen: opereren achter vijandelijke linies als een guerrilla, samenwerken met lokale bewoners wat NICA-elementen in zich had en het inlichtingenwerk wat relateerde aan de NEFIS. Operatie Platypus VIII was onderdeel van een serie verkenningen en missies achter de Japanse linies met als doel het

Schietoefeningen door dorpelingen (foto niet van Platypus VIII) – foto AWM collection

verkrijgen van inlichtingen over de Japanse sterkte op Borneo en het aanwakkeren van het verzet.

Max Horstink besluit het rapport wat hij over deze missie schreef met een aantal opmerkingen over de gemoedstoestand van de lokale dorpelingen en hun houding ten opzichte van het Japanse en Nederlands gezag. Net als in Nieuw-Guinea waren de meeste dorpelingen op de hand van de geallieerden en hadden ogenschijnlijk geen probleem met de terugkeer van Nederlands gezag. Dat zou Max wel eens een verkeerd beeld van de houding van de bevolking kunnen hebben gegeven, wat hem later op Java fataal zou worden.

Het team van Platypus VIII zal in Balikpapan gehoord hebben van het einde van de oorlog. Welke positie Max in Balikpapan gekregen heeft en in welke capaciteit hij gewerkt is, is niet duidelijk. Hij duikt weer op in de archieven op 5 september waar vermeld staat dat er op Java een aantal LOC’s opgericht worden, Leger Organisatie Centra. Deze LOC’s waren samen met de RAPWI-organisatie (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) belast met het opsporen, ondersteunen, en transporteren van krijgsgevangenen en geïnterneerden. De LOC’s deelden de voormalige krijgsgevangen opnieuw in bij eenheden na hen van nieuwe uniformen en medische hulp te hebben voorzien. Zowel de RAPWI als de LOC’s werden hoofdzakelijk bemand met personeel van de ML KNIL.

Op 8 september kwam uit Melbourne het bevel in Batavia en Bandoeng LOC I en II op te richten en voor de rest van Java LOC III. LOC I stond onder bevel van Kapitein-vlieger-waarnemer Dick Berlijn, de oud KMA-klasgenoot van Max Horstink, met als tweede man 2e Luitenant-waarnemer Leen Blanson Henkemans. Over LOC II in Bandoeng had Max het bevel, met als tweede man 1e Luitenant-vlieger- waarnemer Fred Pelder. LOC III stond onder bevel van Kapitein G.L. Snell met Vaandrig waarnemer Otto Ward als tweede man. Max Horstink moet hen allen goed gekend hebben, deels uit zijn tijd bij het 18e Squadron (Berlijn, Pelder, Ward, Blanson Henkemans) en Snell nog uit Timor en later bij de NEFIS en NICA in Australië en Nieuw-Guinea. Controle over alle LOC’s werd in Batavia belegd.
Op 17 september kwam Max samen met een aantal andere officieren vanuit Balikpapan in Bandoeng aan om de kantoren van de KDP (Kantoor Displaced Persons), RAPWI en LOC te bemannen. Bandoeng bleek een stad te zijn zonder geallieerde eenheden om militaire bescherming te bieden en de Indonesische opstandelingen namen veel centrale gebouwen en posities in zonder dat de nog aanwezige Japanse troepen ingrepen9. Pas vanaf 17 oktober arriveerden de eerste Brits-Indische troepen van de 37th Indian Infantry Brigade in Bandoeng. In deze gevaarlijke situatie liep het NICA-personeel (waar Max waarschijnlijk nog steeds deel van uitmaakte) extra risico omdat zij als het symbool van het herstel van het Nederlands gezag werd gezien. NICA-personeel kreeg het advies alle emblemen waarmee zij als NICA herkenbaar zouden zijn, te verwijderen. Op 15 oktober werd NICA-personeel in Semarang door Indonesische troepen gevangen genomen.

De mannen van de LOC’s reisden door het aan hen toegewezen gebied om zowel krijgsgevangenen als geïnterneerden op te sporen. Van Luitenant Pelder is bekend dat hij, slechts begeleid door een chauffeur en bewapend met een machinepistool, door het gebied reed en vele malen nog maar net uit hachelijke situaties heeft weten te ontsnappen.

Het lijkt erop dat een aantal mensen van LOC Bandoeng op 13 of 14 oktober naar Batavia is gegaan voor overleg. Van Blansons Henkemans is bekend dat hij op de 14e met een Japans vliegtuig van Bandoeng naar Batavia is gevlogen.
Op 15 oktober vormde zich op het vliegveld Tjililitan bij Batavia een groep van officieren en burgers die allen naar Bandoeng wilden. Waarom zij niet zijn gaan vliegen is onbekend. Wellicht was het de samenstelling van de groep de tocht per vliegtuig onmogelijk maakt, voor een deel van hen was het geen dienstreis. Voor Horstink en Blanson Henkemans was wel plek aan boord van een vliegtuig, maar zij hebben daar geen gebruik van gemaakt.
Een van de officieren van de groep was Kapitein Louis Rapmund, in Bandoeng geboren en in maart 1942 nog net aan de val van Java ontkomen bij de Japanse invasie. Na ruim een jaar als onderofficier- fotograaf bij de Marine in Engeland gediend te hebben, kwam Rapmund in voorjaar ’44 bij de NICA als NEFIS-inlichtingenofficier. Zijn gezin woonde in Bandoeng en Louis zal hen na drie oorlogsjaren hebben willen terugvinden. Louis Rapmund en Max Horstink kenden elkaar ongetwijfeld van eerdere plaatsingen in Australië, Nieuw-Guinea en Borneo.
Niet onwaarschijnlijk is dat Horstink en Rapmund, beiden ervaren militairen met veel gevechtservaring, van mening waren dat een groep van 10 man die redelijk bewapend was met machinepistolen, geweren, pistolen en handgranaten en met goed kennis van het terrein en de bevolking, zich wel door eventuele problemen heen kon praten en desnoods vechten op de route van zo’n 165 kilometer door de bergen langs Bogor en Tjiandjoer naar Bandoeng. De groep was gemêleerd van samenstelling: twee man van de Militaire Luchtvaart, een dokter, een inspecteur van politie, drie NICA/NEFIS-officieren, een RAPWI- officier en twee jongens die op de lijsten als chauffeur en monteur te boek staan. Voor de helft waren zij afkomstig uit Indië, voor de helft uit Nederland/Europa.

Wat er tijdens de tocht naar Bandoeng is gebeurd, valt slechts in beperkte mate te reconstrueren. Geen van de mannen in het konvooi heeft de tocht en de aanhouding overleefd, en de verslagen van de Opsporingsdienst Overledenen, het Rode Kruis en de NEFIS komen in details niet geheel overeen. Duidelijk lijkt te zijn dat de twee auto’s (een vrachtauto en een Chevrolet personenauto) rond 12.00 uur bij de Puntjak Pas door twee eenvoudige barricades zijn gereden. De wachtposten van de strijdgroep BKR  (Badan Keamanan Rakjat), een voorloper van het Indonesische leger) aldaar, belden de doorbraken door en in Patjet,18 kilometer verderop, was de barricade dusdanig sterk dat de auto’s tegen 12.30 uur gedwongen werden te stoppen. Soekarno verbleef op dat moment in de nabij gelegen kampong Paragadjen. Zijn chauffeur nam, met Soekarno’s auto, deel aan de achtervolging en kwam later die dag met een Nederlandse auto als buit terug in Paragadjen. Horstink, Rapmund en de groep hebben blijkbaar nog overwogen zich een weg door de aanhouding te schieten, maar de tegenstander bleek te talrijk te zijn en hen slechts gevangen te willen nemen voor een eventuele gevangenenruil, wat de groep wellicht ietwat gerustgesteld heeft. Daarop gaven de Nederlanders zich over en werden zij naar de gevangenis in Tjiandjoer gevoerd. Vanaf dat moment verschillen de verhalen van de diverse getuigen wie wanneer en waar werd vermoord. In alle versies wijzen de getuigen op ‘het volk’, dat al diezelfde avond uitlevering van de mannen zou hebben geëist om hen daarna te vermoorden. Anderen vertellen over vluchtpogingen en zelfs een aanval met een verborgen gehouden handgranaat (die niet zou zijn afgegaan) door een van de Nederlanders. De vondst van brieven in de bagage van Rapmund, die duidelijk maakten dat hij een NICA-officier was, zorgde blijkbaar voor extra ophef rondom de groep. Een ander scenario is dat het een ordinaire roofmoord betrof, omdat Horstink een bedrag van f 8.500,- werd afgenomen en twee van de betrokken BKR-mannen bij de lokale bevolking als rovers bekend stonden. De werkelijke toedracht zal nooit duidelijk worden. Feit is dat alle mannen tussen 15 en 19 oktober in Patjet, Tjiandjoer of Tjirantjang zijn vermoord en in stukken gehakt. In december 1945 werd Tjiandjoer bezet door een Brits Gurkha regiment en kreeg men in de gaten wat zich daar in oktober had afgespeeld. De verminkte lichamen werden teruggevonden en geïdentificeerd. Pas op 19 juni 1948 is een aantal van hen, waaronder Max Horstink en Louis Rapmund, begraven op het ereveld Pandu in Bandoeng.

Begrafenis op het ereveld Pandu Max Horstink en Louis Rapmund

Slot
Een opmerkelijke oorlogsloopbaan van een veelzijdig KNIL-officier, dat kan zeker gezegd worden over de carrière van Kapitein Max Horstink. Opgeleid als infanterie-officier, getraind als vlieger waarnemer, begonnen bij de Topografische Dienst, begint zijn oorlogsverhaal als infanterist en aansluitend guerrilla op Timor. Met plaatsingen bij het 18e Squadron, de NEFIS en tenslotte de NICA, nam hij deel aan een veelheid aan operaties en campagnes voor de bevrijding van Nederlands-Indië.

Opvallend is dat Max voor geen van zijn inspanningen is onderscheiden. Noch als guerrilla op Timor waar hij waarschijnlijk hoofdzakelijk buiten het zicht van Nederlandse officieren opereerde, noch als bommenrichter in 18 Squadron en het meest opmerkelijke ook niet als plaatsvervangend commandant van de NICA/NEFIS-missie achter Japanse linies in Borneo. Die missie was zeer riskant en hoogstwaarschijnlijk op vrijwillige basis ondernomen, zoals alle NEFIS missies.


Max Horstink, 1914 – 1945, ligt begraven op het Ereveld Pandu bij Bandung.

Lijst van geraadpleegde bronnen:

  1. No18 Squadron NEI 1942-43 door P.C. Boer, maart 2021
  2. Squadron Operational Diary 18 Squadron 1943 – via Guus van Oorschot
  3. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 11c Indië, L de Jong 1986
  4. Wij vochten in het bos, Ch. M. Kokkelink, Amsterdam 1956 
  5. Australian War Memorial archives – diary of Lt C.H. Chalmers nr 7244191
  6. Nationaal Archief 2.10.62 nr 217: Horstink – report on the mission to the Mahakan river lakes area 3 July – 12 August 1945
  7. NIMH archief 509 – stuk 226, 228 en 234
  8. Dienststaat Max Horstink Nationaal Archief
  9. Memoires Paul de Vrijer – Timor
  10. Informatie van Fred Pelder jr over LOC Bandoeng
  11. NIOD brieven Max Horstink in Sansapor
  12. Australian War Memorial 2-4 Independent Company nr 1022726
  13. Australian War Memorial NO. 2 INDEPENDENT COMPANY WAR DIARY 8 December 1941 – 16 december 1942 nr RCDIG1026493
  14. Australian War Memorial Sparrow Force and Lancer Force AWM2018.8.759, AWM2019.8.1041, AWM2017.8.201, AWM2017.8.202 
  15. Kansloze guerrilla, Militaire Spectator  1979 J.J. Nortier
  16. KAIS een gewaagde redding in Nieuw Guinea, zomer 1944, Bas Kreuger 2020

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *