Skip to content

KNIL verzet Timor 1942 

Jakob Bakker

Persoonlijk verhaal van    Jakob Bakker, roepnaam Jaap
Auteur: Ineke Bakker

Inleiding
Jakob was een rasechte Groninger; geboren in 1908 uit het huwelijk van Reinder Bakker en Eppina Kasemier. Hij was de 2e van 3 zoons en groeide op in Sappemeer. Aangelokt door wervende advertenties met een vast salaris en pensioen had hij zich aangemeld bij de Koloniale Reserve te Nijmegen om als beroepsmilitair uitgezonden te worden naar Nederlands-Indië. Stamboeknummer: 89123 Voor het tekenen als militair werd een bedrag verstrekt van ƒ400, =.

Op 29 januari 1931 begon hij zijn opleiding in Nijmegen en op 5 maart 1931 ging hij aan boord van de ms. “Johan van Oldenbarnevelt”. Bij aankomst in Indië werd hij ingedeeld bij de Genie te Tjimahi. In mei 1933 is hij overgegaan naar de afdeling zoeklichten en in oktober was hij Soldaat 1e klas Zoeklichtenbedienaar.

In juli 1934 bevorderd tot Brigadier.

In juni 1936 werd Jaap overgeplaatst naar het olie-eiland Tarakan. Na twee jaar dienst op Tarakan en na meer dan zes jaar dienst in Nederlands-Indië mocht hij in oktober vertrekken voor verlof naar Nederland waar hij in december 1938 aankwam.

In Groningen ontmoette hij mijn moeder Gesina, Gé genoemd. Ze verloofden zich, maar nog voor ze konden trouwen werd Jaap vervroegd teruggeroepen naar Indië waar hij op 22 augustus 1939 aankwam en gelegerd werd te Tjimahi, ingedeeld bij de afdeling Zoeklichten. Mijn moeder trouwde met de handschoen. Het trouwen met de handschoen is trouwen bij volmacht. Ze reisde hem achterna met de laatste boot die voor de oorlog nog naar Nederlands-Indië zou vertrekken vanuit Amsterdam: de “Christiaan Huygens”. Aangekomen in Batavia trouwden ze voor de kerk op 29 december 1939 in de Kathedraal van Batavia. Nu Jaap getrouwd was, kreeg hij in Tjimahi een dienstwoning toegewezen.

Op 13 juni 1940 wordt Jaap bevorderd tot Sergeant Zoeklichtenbedienaar. In juni 1941 werd hij overgeplaatst naar Tjilatjap voor meerdaagse oefeningen en is begin december 1941 weer terug in Tjimahi.

Timor.
Op 15 december 1941 kreeg Jaap het bevel zich gereed te houden voor vertrek met onbekende bestemming. In een geblindeerde trein ging het naar Soerabaja en vandaar verder met een K.P.M.-boot de Plancius naar Koepang, hoofdstad van Nederlands Timor. Ze scheepten zich in op de avond van de 15e december 1941 en de vier Genie sergeanten bij elkaar wisten een hut te bemachtigen.

Ze waren ingedeeld bij een inderhaast opgerichte Geallieerde Expeditionaire Macht (GEM) onder leiding van Luitenant-kolonel Nico Leonard Willem van Straten. In Koepang stapten ze over op Hr. Ms. Soerabaja. `s Nachts scheepten de soldaten van het KNIL en 200 manschappen van de Australian Imperial Force zich in op het Nederlandse oorlogsschip.

De volgende morgen ging de Soerabaja op weg naar Dilly, hoofdstad van neutraal Portugees Timor. De Soerabaja werd voorafgegaan door Hr. Ms. Canopus. Op 17 december 1941 kwamen de schepen aan voor de rede van Dilly, maar de Soerabaja, met de manschappen, bleef buiten de territoriale wateren wachten. De Canopus zette de onderhandelingsofficieren aan wal waar zij de Portugese gouverneur, Ferreira de Carvalho, verzochten geallieerde troepen toe te laten. De gouverneur vroeg een uur bedenktijd maar toen dit uur verstreken was en een positief antwoord vooralsnog uitbleef, stoomde Hr. Ms. Soerabaja tot 100 meter voor de kust van Dilly en het ontschepen van de troepen nam een aanvang. De boot met de geallieerde troepen mocht niet aan die éne pier afmeren die de haven rijk was. Om aan wal te komen moesten de manschappen kniehoog door de modder baggeren.

Jaap was commandant van een sectie Infanterie-Zoeklichten. Deze groep bestond uit 12 zoeklichtbedienaars (twee voor elk zoeklicht) van verschillende Indonesische nationaliteit: Javanen, Soendanezen, Ambonezen en één militair uit Menado. Jaaps rechterhand was soldaat eerste klas Soemantri, een Soendanees (wellicht is de naam “Soemantan”?). Hij sprak Maleis, Soendanees en ook vrij goed Nederlands. Daarna werd begonnen met het inrichten van de verdediging van de kust nabij Dilly en van het vliegveld.

Van 19 december1941 tot 19 februari 1942 werden de manschappen doelloos in de barakken van de Timorezen onderhouden met theorieën over gifgas, het gebruik van gasmaskers, het in en uit elkaar nemen van revolver en geweer, wacht lopen en Jaap vroeg zich af wat ze daar eigenlijk deden. Het liefst had hij op Java willen zijn om mee te vechten.

Oorlog op Timor.
Begin feb. 1942 ontving de Commandant van de Geallieerde Expeditionaire Macht te Dilly bericht, dat de Portugese regering besloten had versterkingen te zenden. 800 Portugese officieren en manschappen waren onderweg naar Dilly om de defensie van de stad en omliggend grondgebied over te nemen.

Half februari werd er gerapporteerd, dat een Portugees troepentransportschip zich in de buurt van Straat Soenda bevond, op weg naar Timor waar het op zijn laatst 20 februari werd verwacht. De commandant van de Geallieerde Expeditionaire Macht (GEM) had al  maatregelen genomen dat de troepen op Dilly zich zouden terugtrekken naar Nederlands grondgebied. Munitie en levensmiddelendepots waren in Hatolia en Maubara ingericht Ammunitie en andere militaire stukken werden verplaatst naar de kleine stad Atamboea in het binnenland van Nederlands Timor.

De Australische Compagnie, onder leiding van Lt. McKenzie had aparte orders voor het terugtrekken. Deze Compagnie bleef gestationeerd 30 mijl ten westen van Dilly en liet slechts een sub-sectie achter in Dilly. Deze sub-sectie was bestemd om eventueel het vliegveld te vernielen.

In de nacht van 19 op 20 februari rapporteerden uitkijkposten dat ergens aan de horizon op zee de silhouetten van schepen werd waargenomen. Overtuigd zijnde dat de Portugese troepen eindelijk gearriveerd waren, werd er weinig aandacht aan geschonken. De uitkijkpost van de vuurtoren rapporteerde eveneens schepen op de rede van Dilly. Ook dit gaf geen alarm. Wat wel opviel was dat de schepen hun lichten geheel gedoofd hadden.

Het was zo verdacht dat 1e Luitenant De Winter, commandant van de aan de kust opgestelde vuurmonden, een paar salvo’s afvuurde op de naderbij komende schepen. Er volgde onmiddellijk tegenvuur van de schepen. Twee sterke zoeklichten sprongen aan en zochten de kustlijn af terwijl zware marine batterijen de Nederlands-Indische artillerie-emplacementen en het hoofdkwartier onder vuur namen. De eerste voltreffer kwam precies in de stam van een boom terecht te midden van de artilleriepositie en stelde een van de kanonnen tijdelijk buiten werking. De tweede treffer was een voltreffer op het hoofdkwartier met vele doden en gewonden. Veel en veel later hoorde men dat het Portugese schip tot zinken was gebracht en alle opvarenden waren omgekomen. Of dat waar was, is onduidelijk.

Luitenant de Winter schatte de sterkte aan vijandelijke troepen op 4000 man. Er werd bericht dat de telefoonlijn met een noordelijke post was verbroken. Er werd een patrouille van drie man uitgezonden om de lijn te repareren. Sergeant Poelman, waarnemend hoofd van de telefoondienst, stuurde om 5 uur nogmaals een patrouille uit om na te gaan waar de vorige patrouille bleef. Tegen halfzes ’s ochtends kwamen ze melden, dat de Japanners in een kleine baai, op een afstand van 8 à 10 km met groot materiaal waren geland. De Jappen kwamen in een zeer behoedzaam tempo dichterbij. Van de 1e patrouille is nooit meer iets gehoord.

De Japanse vloot was bezig zijn troepen met oorlogsmateriaal aan land te brengen. Er waren verdachte lichten gesignaleerd aan de monding van de Comoro Rivier, 5 mijl ten westen van Dilly. De Japanners bereikten om ongeveer 1:10 uur in de nacht  ook de brengunpositie van de Australiërs en slaagden erin deze te vernietigen door het werpen van handgranaten. De Nederlandse soldaten gingen hun posities herverdelen. Jaap schrijft:

“Het was niet de overmacht van de vijand die ons noopte ons terug te trekken, maar we waren niet meer in staat te vuren. In een mum van tijd waren we door onze voorraad munitie heen en de soldaten die de munitie moesten ophalen, kwamen niet meer terug Door twee handen in de hoogte te steken en te zwaaien naar elkaar, lieten we weten dat we door onze voorraad munitie heen waren. We kregen bevel van het hoofdkwartier om terug te trekken ten zuiden van de stad om daarna de weg naar de bergen in te slaan. Nog drie man van de afdeling zoeklichten waren bereikbaar. De andere negen militairen waren ofwel gesneuveld of gevangengenomen. Zoals de afspraak was, werden alle stukken geschut en materiaal, wat niet door ons kon worden meegenomen, ter plekke vernietigd. Zelf ben ik met de soldaat zoeklichtenbedienaar eerste klasse, Soemantri, naar een kloof in de voor ons liggende bergen gegaan en zag tot mijn verbazing de commandant Luitenant-Kolonel van Straten, de Kapitein Breemouwer met een klein groepje militairen staan, gereed om via de bergen met behulp van twee ervaren gidsen naar Atamboea op Nederlands Timor te vertrekken. Met datgene wat we nog konden bemachtigen trokken we -vier officieren en 32 onderofficieren en manschappen- de bergen in. Aan onze kant hadden we veel doden en gewonden te betreuren, maar ook al was de tijdsduur van deze strijd betrekkelijk kort, toch zijn er een groot aantal Jappen door onze, geringe groep voor een verdere strijd uitgeschakeld”.

Volgens Japanse opgave waren maar 7 man gedood.
Tegen 8 uur in de morgen van 20 februari was de Geallieerde Expeditionaire Macht genoodzaakt de strijd om Dilly op te geven. De KNIL-militairen werden verzocht zich in Tocolulli  te melden en zich onder leiding van de commandant te stellen. Van hieruit zouden ze naar Atamboea gaan. Het werd een nachtmerrieachtige tocht door de rimboe. De bergen die ze moesten beklimmen bleken bijna 3000 meter hoog te zijn. De uitgeputte troepen moesten de hoofdweg vermijden en waren genoodzaakt kleine en zeer ongemakkelijke bergpaden te gebruiken. Na enkele dagen met een afstand van slechts 15 km. per dag werd de tocht steeds zwaarder.

Al gedurende deze eerste mars van Dilly naar Atamboea leerden de soldaten de meest belangrijke les van de guerrillaoorlog: een soldaat in de rimboe is zoveel waard als de kwaliteit en het uithoudingsvermogen van zijn schoenen. De ondergrond van de steile berghellingen op Timor bestaat voor een groot gedeelte uit karangsteen (koraalsteen).

Al op 27 februari ontving overste N.L.W van Straten bericht dat Koepang was gevallen en door de Japanners bezet. Dit bericht werd niet aan de troepen bekend gemaakt om hen niet nog meer te ontmoedigen. Hetzelfde bericht vermeldde de aanwezigheid van het Australische stafpersoneel met Brigade Generaal Veale en 200 man (voornamelijk burgers) die vanuit Koepang Atamboea hadden weten te bereiken. Een dag later, op 28 februari –de dag waarop Java voor het eerst door Japanse troepen werd betreden-  kwam de hoofdmacht in het kleine stadje Atamboea aan. De Commandant van de Australiërs, de Brigadegeneraal Veale en de bevelhebber van het KNIL: Overste Van Straten geloofden dat het onder deze omstandigheden weinig zin had weerstand te bieden en Atamboea tegen de oprukkende Japanners te verdedigen met manschappen die zo uitgeput waren. Atamboea verdedigen had geen enkele zin. De ondercommandant, Kapitein Breemouwer gaf opdracht dat Officieren én alle Onderofficieren van het KNIL-detachement uit Dilly zich zouden verzamelen in een leslokaal van een schooltje. Hij sprak van een “gezamenlijke krijgsraad”.

Jaap was zeer verrast een krijgsraad te houden mét de Officieren.

In deze krijgsraad kwam de vraag naar voren wat ze moesten doen? Doorvechten? Overgeven aan de Jap? Uitwijken naar Java? Eenstemmig werd toen besloten door te vechten en zo mogelijk uit te wijken naar Java. De volgende order werd verstrekt:

  1. De overgebleven Officieren, Onderofficieren en manschappen van de Nederlands-Indische Expeditionaire Macht zullen gesplitst worden in kleine groepen van 6 tot maximaal 12 man.
  2. Deze groepen zullen zich in het terrein schuilhouden en trachten -waar dat kan- zoveel mogelijk schade aan de vijand toe te brengen.
  3. Elke onafhankelijke groep krijgt de vrijheid -indien mogelijk- het eiland Timor te verlaten onder voorwaarde, dat ze zich zullen begeven naar geallieerd gebied en zich aansluiten bij de Nederlandse Geallieerde Strijdkrachten.
  4. Ter beveiliging en voor alle zekerheid dat ze elkaar in de rimboe van Timor zullen herkennen is voor allen een herkenningsteken van kracht. Deze is: “het uitstrekken van één arm driemaal op zij! Het wachtwoord moet dan zijn: “toké” en het antwoord daarop is dan met een luid en hoorbaar: “oehoe”. Beide herkenningstekens zullen driemaal worden uitgesproken. Dit wordt ook aan de Australiërs bekend gemaakt.

De groepen zouden dus onafhankelijk en volledig zelfstandig moeten handelen. De kampongs hadden weinig middelen om hen te voorzien van voedsel en water. Jaap ging met een kleine patrouille van 10 man op weg om een vluchtweg te vinden. Via Niki- Niki, een havenplaatsje aan de kust, wilden ze proberen  naar Java te ontkomen. Na een paar dagen door de dichtbegroeide rimboe en een eindeloze tocht door het moeras bereikten ze de plek waar ze het marktplein van Niki-Niki duidelijk konden zien. Ze merkten dat Niki-Niki al in handen was van de Japanners en hoorden van de intimidatie en  wreedheden tegen de lokale bevolking. Met beelden in zijn hoofd van vrouwen die werden afgetuigd en opgehangen in bomen keerde Jaap zo snel mogelijk terug naar Atamboea.

De vrouwen en kinderen die gevlucht waren uit Nederlands-Timor en zij die woonden bij het Detachement Atamboea, konden er niet blijven, zodat besloten werd ze onder geleide van enkele Onderofficieren over te brengen naar een bevriende kampong in Betano Portugees Timor. De Sergeant-Majoor Boomsma, militie Sergeant van Harmelen en Jaap werden aangewezen de vrouwen en kinderen in veiligheid te brengen. Sergeant-Majoor Boomsma was commandant voorhoede, van Harmelen moest het middengedeelte van de colonne begeleiden en Jaap was commandant achterhoede. Jaap hielp tijdens deze tocht bij de bevalling van een der vrouwen. Bij aankomst op de veilige plaats van bestemming werd het kind, een meisje, gedoopt met de naam: “Johanna Soesah”

Eind maart 1942, werden berichten ontvangen dat een Japanse colonne bezig was op te trekken van Atapupu aan de kust naar Atamboea. Daarop besloot de leiding zich terug te trekken op Portugees terrein.

Een tweede poging tot reorganisatie werd enige dagen later op Portugees terrein gedaan. De Nederlands-Indische troepen werden verdeeld over drie secties, ieder onder het commando van een Kapitein. De secties werden onderverdeeld in groepen, gecommandeerd door een Luitenant of een Onderofficier. Kampen voor de troepen werden klaargemaakt bij de plaatsen Tilomar, Foho-Ren en Dacolo. In het begin werd aan de manschappen rust gegeven en slechts kleine patrouilles werden uitgezonden.

Via Beloenezen en Timorezen ontvingen ze gedurende de hele campagne driemaal een pamflet, waarin vooral de grootheid van het Keizerlijke Japanse Leger tot uiting werd gebracht en waarin dringend werd aangeraden, aan alle Nederlanders, zich te bezinnen op de situatie waarin ze nu verkeren.

Aan Australische en Hollandische Officier en Soldadoe,

De Japansche Armee, menschlievend in al zijne hoedanigheid, had al Nederlandsch Indië veroverd, met de val van Java in onze handen.
Alle, ja en dan ook alle Australische en Hollandsche troepen, behalve hier in Portugeesche eiland, hadden al onderworpen aan ons en nu leven vreedzaam onder onze bescherming van hun leven.
Hoogste Bevelhebber van Hollandsche Armee, Generaal Terpoorten had al ontmoet met Japanschen Opperbevelhebber en hij zonder meer aangenomen alle voorstel gevraagd door de laatste.
Op Zondag 9 maart, 12 uur middag, Generaal Terpoorten had per radio zijn Commando door de Bandoeng radio afgeroepen, dat elke troepen in heele Nederlandsch Indië, waaronder ook die van Portugeesche Timor, moeten onderwerpen aan Japansche Armee op géén voorwaarde.
Nochtans gij alleen zijt dwalende in de moeilijk begaanbaare gebergten en gaat voort nutteloos te strijden tot nu.
Uw kameraden, Uw vrienden, al onderworpen aan ons, gaan door met gelukkig leven. Denken gij niet hoeveel waarde menschenlevens hebben? Denken gij niet aan uw tehuis in uw land? Eindig toch uw doelloos strijden nu dadelijk.
Wij U oprecht aanraden U aan ons over te geven met direct witte vlaggen op te steken en uw munitie aan ons af te leveren. Wij dan U beloven Uwe levens te beschermen.
Maar als gij wilt, mag U doorgaan met te vechten, ondanks ons vriendelijk en welgemeende raad.

Wij, Japansche Armee willen niet uw onderwerping voor onszelve, wij alleen maar adviseren voor uw geluk. In waarheid en vertrouwen, wij hebben alle noodzakelijke voorbereidingen klaar liggen om te dooden uw allerlaatste soldadoe in Portugal Timor.
Overgeven U aan ons, nu dadelijk. Verliezen toch niet meer levens zo nutteloos.
Wij herhalen hierbij dat U alleen nog niet in onderwerping aan ons. Tegen ons in opstand te blijven is Uw leven vergeefs verliezen.
Kom tot ons met dit papier om te onderwerpen aan die vergevensgezinde Japansche Armee

 Japansche Opperbevelhebber in Portugal Timor

Bij alles wat ze van de Jappen gezien en gehoord hadden, was niemand genegen het ook maar in overweging te nemen om zich over te geven aan deze sadisten.
De commandant van de KNIL-afdeling met zijn Officieren nestelden zich in het plaatsje Tilomar, in de bergen maar toch vlak bij de kust van Portugees Timor. Op 2e Paasdag, maandag 6 april, was de laatste man uit Atamboea vertrokken en half april 1942 werd ‘Headquarters Tilomar’ operationeel in bedrijf gesteld. De verspreide, geheel onafhankelijk, goed opererende Australische eenheden, zouden worden samengevoegd en tezamen een “Independent Company” vormen dat onder commando zou staan van Majoor Spence. Het commando van de gehele in Portugees Timor opererende Australische krijgsmacht, werd gevoerd door Brigade-generaal Veale.
Een zeer belangrijk probleem was: kleding, dekens voor de nacht, completering van de uitrusting, wapens en munitie en -zeer belangrijk- de kwetsbare schoenen. Ook medicijnen, waaronder kinine en een centraal punt voor medische verzorging waren nodig. Een groter probleem was dat van de communicatie met Australië.
Jaap schrijft: “De verbindingsdienst van de Australische troepen konden met hun zendapparatuur Australië niet bereiken. De Nederlands-Indische radiodienst beschikte wel over een ontvangstapparaat (hoewel de accu zeer slecht was) maar het zendapparaat was niet te gebruiken omdat er enkele vitale onderdelen ontbraken.
De instructeur en magazijnmeester van de radiodienst wist zeker, dat de benodigde onderdelen aanwezig waren in het verlaten magazijn in Dilly. Een groep van 6 Indo-KNIL-militairen gaf zich spontaan op om deze benodigde onderdelen ‘even’ uit het magazijn in Dilly op te halen. Als ‘orang melajoe’, met hun ongekapte haren en een baard van enkele maanden, uitgerust met pikoelan en krantjang, vielen ze in de omgeving van Dilly hoegenaamd niet op. In een bekende kampong nabij Dilly konden KNILlers zich inderdaad verkleden. Het lukte. Bij het magazijn stonden slechts twee wachten. Op een zeer handige wijze wist de Sergeant L. de beide op wacht staande Japanse posten geruisloos te elimineren. De benodigde onderdelen mét nog twee nieuwe accu’s werden daarna in hun lege “krantjangs” vervoerd. Bij hun terugkomst werd nuchter opgemerkt: “Ik geloof dat dit de onderdelen zijn, waarop jullie hebben gewacht?” Nadat het apparaat functioneerde, werd de seinsleutel aan een radiotelegrafist van de Aussies overgedragen. De technici van de Australiërs hadden in mum van tijd de verbinding tot stand weten te brengen. Dat betekende, dat gericht Japanse doelen met mitrailleurs en bommen konden worden bestookt en dat we van medicijnen, uitrustingstukken en van munitie konden worden voorzien.”

Vanaf 2e paasdag verspreidden de troepen zich dus in de bossen en bergen van Portugees Timor. De sectie van Jaap, onder commando van Luitenant Zijlstra zou zich in Dacolo vestigen. Een dag na hun aankomst en inkwartiering, werden ze al door een grote concentratie Jappen aangevallen. Met de grootst mogelijke moeite wist de groep zich in veiligheid te brengen. Er waren nogal wat doden en gewonden te betreuren.
Jaap kreeg opdracht om samen met soldaat eerste klas Soemantri en nog twee anderen in Lolotoy een doorgangspost op te zetten. Hun taak was het, doortrekkende militairen vanuit Lebos van voeding te voorzien en aan te geven op welke wijze ze Tilomar zouden kunnen bereiken. KNIL sergeant-majoor Boomsma en sergeant Van Harmelen zijn hier door een  groep, door de Japanners ingehuurde, Alornezen aangevallen en gedood. Ook adjudant Rothkrans van de radiodienst werd door Japanse sluipschutters doorzeefd met kogels.
Enkele dagen na dit voorval werd Lolotoy door een vrij grote groep Jappen aangevallen. Met mortieren en een veelheid van automatische geweren werden ze als het ware onder de voet gelopen. Sergeant v.d. Leeden en enkele inheemse militairen werden gedood. Drie dodelijk verschrikte kinderen van de halfbloed Portugese postcommandant die eveneens gesneuveld was, (een meisje van 12, een zusje van ruim 6 en een baby van plm. 1½ jaar) hielden zich schuil in het beboste terrein. Met deze kinderen is Jaap alleen een ravijn ingedoken en met de baby in een slendeng dragend en de twee andere kinderen op weg gegaan.

Na een mars met vele onderbrekingen wist hij na 36 uur een bewoonde kampong te bereiken, waar hij de kinderen bij een bevriende relatie van deze familie kon achterlaten. Tot zijn grote blijdschap ontmoette hij daar de soldaat 1e klas Soemantri weer met hun paard.
Jaaps rol in Lolotoy was voorlopig uitgespeeld. Ze gingen op weg naar Betano.
Onderweg zouden ze een klein bewoond stadje Novo Luso moeten passeren, maar ze wilden met een omtrekkende beweging via de rimboe de plaats op grote afstand links laten liggen. Juist toen ze de begaanbare weg wilden verlaten, troffen ze een compagnie KNILlers aan bezig met een grote rust. De colonne KNIL-militairen, onder bevel van Kapitein Van Swieten, was op weg naar Nove Luso. Soemantri voelde er niets voor zich aan te sluiten bij deze Infanteristen. Hij hield vol, dat de plaats Novo Luso reeds door de Jappen was ingenomen. Op Jaaps aanwijzing dat het veiliger zou zijn de grotere plaatsen te mijden, werd door een norse Kapitein Van Swieten gereageerd dat een Sergeant hem niet wegwijs hoefde te maken en dat ze zich maar moesten aansluiten aan het achtereinde van de colonne.  Zogezegd, zo gedaan en zodra ze de staart van de colonne bereikten namen ze de benen en zijn het bos ingegaan.  Een paar dagen later kregen Soemantri en Jaap te horen, dat alle KNIL-militairen van Kapitein Van Swieten door de Jappen gevangen waren genomen. Niemand van hen heeft kans gezien te ontsnappen.

Begin mei verhuisde Jaap met een groep van 10 man weer naar Betano. De Japanners wisten de groep –met behulp van een kleine groep Alornezen- in de val te lokken. Allen, behalve Soemantri en Jaap, werden gedood. Dat Jaap daaraan ontsnapte, was te danken aan een zware malaria-aanval die hem in een karbouwenstal deed belanden.
Op een afgesproken plaats kregen ze van de koerier het laatste nieuws. De nieuwe Commandant was nu Kapitein Breemouer.  Luitenant-Kolonel Van Straten had bericht ontvangen uit Australië met een verzoek om inlichtingen. Op 25 mei 1942 evacueerde de Commandant naar Australië. Voordat de Overste aan boord stapte van een Amerikaanse Catalina-vliegboot, die Brigade-Generaal Veale kwam ophalen vanwege medische problemen, zei de Overste:
In Australië kan ik meer voor jullie doen dan hier in Timor. Het is wel gebleken dat ik hier weinig voor jullie heb kunnen doen!
Hierop reageerde een collega Sergeant: “Hij smeert hem dus. Groot gelijk. Hij heeft ook nooit iets voor ons (de lagere rangen en standen) gedaan”.

Daarna werd er weinig meer over gesproken, want ze hadden wel andere zorgen en Overste Van Straten stond zó ver van de manschappen af, dat van een verlies geen sprake was. Dus Kapitein Breemouer was nu de hoogste chef. Hierna vormde Jaap een guerrillagroep in het domein van de sultan van Ossu, ver oostelijk van Dilly in het binnenland. Verzamelen van cruciale informatie werd een van de hoofdtaken van de guerrilla-eenheden en de informatie werd doorgegeven naar Australië om zo, gericht, belangrijke objecten te kunnen bombarderen. Jaap vormde opnieuw een guerrillagroep van 9 man met als doel konvooien van de Jappen te beschieten en snel terug te trekken.
In de loop van september kregen ze van goed ingelichte kringen het bericht dat de Japanners hun offensief zouden gaan opvoeren en dat de Japanners daarvoor een tweede Divisie zouden gaan inzetten. Ze begrepen dat dit kersverse strijders moesten zijn. In oktober 1942 waren ze opgedreven naar het meest oostelijk gelegen puntje van Timor. Jaap had inmiddels al enige malen grote delen van het eiland op en neer gelopen om de vijand te ontlopen.
De Japanners besloten een geheel andere tactiek toe te passen: die van de verschroeide aarde. Ze vielen niet alleen de weerstandskernen aan, maar gingen ook met weerzinwekkende middelen ertoe over om de bestaande kampongs, desnoods met inwoners erin, uit te branden. Zo werd de groep van Jaap, op weg naar Vila de Manatuto, het was in november 1942, opgeschrikt door huilende kampongbewoners. De Jappen hadden een aantal missionarissen, enkele nonnen en misdienaren in een hut opgesloten en deze met benzine overgoten. Met hun ‘Banzai’gegil hebben ze daarna de volkomen afgesloten woning (deur en ramen waren gebarricadeerd) in brand gestoken. Achttien personen werden levend verbrand. Toen Jaap en zijn groep een uur later arriveerden, was het dak ingestort en rookte het nog na. Hier was geen hulp meer mogelijk. En terwijl ze nog bezig waren met het onderzoek, werden ze plots van alle kanten aangevallen. Sergeant Joosten en een paar soldaten zijn daarbij gesneuveld.

In november werd vanuit Australië besloten om de KNIL-guerrilla’s te vervangen door andere eenheden. Op 29 november werd het schip van het detachement dat de guerrilla’s moest vervangen onder Luitenant J. C. L. Stoll (60 man) gebombardeerd door de Japanners, waardoor het gehele detachement op 3 man na omkwam. Daarna werd besloten de guerrilla’s te evacueren, aangezien de guerrilla geen zin meer had volgens het commando in Australië. Timor verloor aan strategisch belang nu het geallieerde hoofdcommando had besloten om niet langer via Indië Japan aan te vallen,  maar via Nieuw-Guinea. Er werd besloten tot evacuatie richting Australië. Het was te gevaarlijk geworden op Timor.
Op 28 november 1942 werd bericht ontvangen van Australië dat de evacuatiedatum vastgesteld werd op 30 november. Jaaps groep van 9 man was zover van Tilomar verwijderd dat het bevel om zich naar Tilomar te begeven niet op tijd werd ontvangen. In de morgen van 1 december werd bericht ontvangen van Australië, dat een tweede poging tot evacuatie gedaan zou worden gedurende de avond van diezelfde dag. Ook deze poging faalde. De berichten waren door de Jappen onderschept. De eerste 2 pogingen waren dus mislukt. Was het wel gelukt, dan had Jaap letterlijk de boot gemist. Ze waren te ver van de basis verwijderd. Er werd een nieuw bericht van Australië opgevangen, dat een derde poging tot evacuatie gedaan zou worden gedurende de nacht van 10 op 11 december. Door het uitstel bereikte het bevel hen nu wel op tijd. Voor de derde maal marcheerden de troepen door de rimboe naar het strand. Jaap kreeg opdracht zich te verzamelen op het strand bij Fatucuac. Na ontvangst van het bevel, zijn ze nog dezelfde dag op mars gegaan.
Voor hun vertrek uit Leca hadden ze nog een aanval van de Jappen te verduren. Hierbij is Soemantri waarschijnlijk gesneuveld. Jaap heeft hem in elk geval nooit meer teruggezien. Ze moesten met een dag-en-nacht mars van zeker 40 km voor de boeg het vertrekpunt aan het strand, koste wat het koste, bereiken. Grootste geheimhouding werd opgelegd. Het evacuatieschip zou 45 minuten na middernacht aankomen en zou Timor om 2.45 in de ochtend van 11 december verlaten, óók indien niet alle troepen aan boord zouden zijn. De laatste uitgeputte militairen van de Australische troepen en van het KNIL kwamen pas tien minuten voor 12 op het strand aan. Een paar honderd mensen lagen verspreid over het strand. Het lawaai van de branding was oorverdovend. Zo erg dat het zelfs moeite koste om zich verstaanbaar te maken. Die nacht heerste er over Timor bovendien een ware wolkbreuk. Enige uren daarvoor was bericht ontvangen dat Japanners de guerrilla-eenheden omsingeld hadden. Als het licht werd, zouden ze door de Jappen de zee ingedreven worden. Vanwege deze rapporten werden de signaalvuren pas kort voor de verwachte aankomst aangestoken. Nog voordat deze vuren behoorlijk brandden werd op zee een kort lichtsignaal waargenomen. Twee grote sloepen met Hollandse matrozen aan de riemen, kwamen regelrecht op de signaalvuren af. Met een onvervalste Nederlandse vloek werd Jaap uit zee opgevist en met een grote zwaai in de sloep gehesen. In een kwartier tijd waren allen in de sloepen en werden ze naar een groot schip vervoerd: de Torpedobootjager H.M. Tjerk Hiddes.

Australië
Jaap was op het nippertje uit de hel van Portugees Timor ontsnapt. Bij aankomst in Darwin zijn de Officieren met een vliegtuig vertrokken naar Cloncurry. Na een kort bezoek aan Darwin werden de manschappen en Onderofficieren, die allen leden aan dysenterie, malaria, ontstoken tanden en andere ontstekingen afgevoerd in schoongemaakte veetransportwagons naar het einde van de spoorlijn: een stoffig –van enorm veel zandvliegen voorzien- quarantainekamp Malhara nabij het gehucht “Larrimah” in de outback van Australië zo’n 400 km. ten zuiden van Darwin. Het quarantaine kamp bestond uit enkele permanente houten hutten en voor de ontvangst van de manschappen, grote Amerikaanse tenten. Onder medisch toezicht van een Australische dokter en een kleine staf mannelijke ziekenverplegers, kregen ze meteen veel versterkende middelen, malaria-injecties, vruchten op water met veel slagroom enz. Vooral het vrij zijn vergoedde veel van het ongemak. Deze Kerstmis 1942 werd in het vrije Australië gevierd. Na drie weken verblijf, werden de manschappen gekeurd en bij het geschikt zijn, afgevoerd naar een definitieve standplaats. Voor Jaap was dat Darley Camp, een oud-legerkamp van de Aussies in Bacchus Marsh, 46 km. vanaf Melbourne gelegen, waar hij op 27 januari 1943 aankwam.

Hij was ingedeeld bij Nr. 3 N.E.I. (Timor) Compagnie. Ze werden daar ondergebracht voor een zogenaamde “morele heropvoeding”, waarbij vooral de nadruk gelegd werd op het disciplinair gedragen en gehoorzamen. Er werd drie maanden(!) aan achterstallige salarissen uitbetaald in Nederlands-Indisch geld, dat omgerekend in Australisch geld, weinig waard was. Jaap bracht ook een bezoek aan een Nederlandse tandarts: Dr. Schoolworth. Die maakten hem duidelijk dat hij al zijn tanden en kiezen zou moeten laten trekken. Voor het herstel kon Jaap rekenen op 14 dagen verlof. Maar daarna kon hij weer met fatsoen praten en lachen.

Het was in Bacchus Marsh dat Jaap hoorde dat de Overste van Straten een Militaire Willemsorde had ontvangen en wel in begin november 1942 toen de manschappen nog op Timor in strijd gewikkeld waren met de Japanners en geen weet hadden dat ze ooit nog zouden kunnen ontsnappen.
Uit het gemor van een kleine groep ex-guerrillafighters begreep de Overste wel, dat hij hiervoor een verklaring moest geven. Vanuit het legerkamp Bacchus Marsh werden de manschappen naar Melbourne ontboden.

Hier kregen ze toen persoonlijk van de Luitenant-Kolonel van Straten, -omringd door enkele Officieren- te horen, dat: “Hare Majesteit aan hem de Militaire Willemsorde 4e klas had verleend, omdat zijn Expeditie op zulk een voortreffelijke wijze partij had gegeven in de strijd tegen de Jappen”. In zijn visie zouden alle manschappen aangemerkt kunnen worden als dragers van een Militaire Willemsorde 4e klas. Maar in alle latere publicaties wordt alleen de Luitenant- Kolonel Van Straten geroemd om zijn dapperheid!?

Nieuw-Guinea
Op 2 juni 1943 werd aan Jaap de opdracht gegeven om met een kustvaarder van Brisbane naar Merauke te gaan ter versterking en verdediging van het vrije Merauke in Nieuw-Guinea. Hier kwam hij op 20 juni aan en werd ingedeeld bij Nr.1 N.E.I. compagnie. Nabij Merauke, 12 km vanaf de havenplaats, lag een groot moeras. Hier werd met groot materieel door de Amerikanen een vliegveld aangelegd. Eind december 1943 konden de eerste vliegtuigen er landen.
Ditmaal werd Kerstmis (1943) op Nieuw-Guinea gevierd. Van 20 juni 1943 tot 17 april 1944 was Jaap op Nieuw-Guinea. Vanuit Merauke moest een zo sterk mogelijke eenheid langs de brede rivier Digoel, dwars door de rimboe Hollandia zien te bereiken met als opdracht de vluchtende Jappen te elimineren. Jaap werd ingedeeld in het geallieerd peloton en ze moesten over land van Merauke naar Hollandia naar de noordkust van Nieuw-Guinea gaan om te verhinderen dat de daar aanwezige Japanners zich in de rimboe konden verbergen. De eenheid van Jaap kwam juist op tijd in de nabijheid van Hollandia en wist de op vlucht zijnde Jappen terug te drijven. Waarschijnlijk is hij daar door een handgranaatsplinter in zijn linker pols geraakt. Tot aan het eiland Biak werd de strijd tegen de Jappen voortgezet. Daarna kreeg hij toestemming om met ziekteverlof terug te keren naar Australië.

Terug in Australië
Zo was Jaap 17 april 1944 weer terug in Melbourne. Op 15 september werd Jaap ontslagen bij de Officier van Gezondheid. Jaap vroeg overplaatsing aan om van het Wapen der Genie over te gaan naar de Materiële Dienst van het Wapen der Militaire Luchtvaart. Onmiddellijk na de ‘Victory March’ in Melbourne kreeg hij daarvoor toestemming.

Op 1 oktober 1944 is hij overgegaan naar de Militaire Luchtvaart en ingedeeld bij Nr. 1 N.E.I.T.S. In december 1944 werd hij gedetacheerd en op school geplaatst te Ascot Vale, het vliegveld bij Melbourne, voor het volgen van een cursus voor magazijnmeester op de R.A.A.F. Equipement Course. Op 15 februari 1945 is hij met goed gevolg geslaagd en terug geplaatst bij de Nr. 1 N.E.I.T.S. te Brisbane voor het opzetten van een nieuw magazijn op Archefield. Hier hoorden ze  dat het geallieerde opperbevel van de Amerikaanse Generaal MacAthur over Nederlands-Indië, aan de admiraliteit van de Engelse Lord Mountbatten moest worden overgedragen. Dit op gezag van de Minister van Koloniën: Prof. Schermerhorn in Londen, die sprak namens de Nederlandse regering.

Van het Columbia Camp in Wacol bij Brisbane, reisde Jaap vervolgens door naar Darwin. Na slechts enkele weken in Darwin te hebben gewerkt, ging hij terug naar Brisbane en kreeg hij van de dienstdoende commandant te horen dat hij naar Townsville werd overgeplaatst. Hij kreeg opdracht zich gevechtsklaar te maken en werd ingedeeld bij een sectie militairen van het K.N.I.L. Zijn Commandant werd een Luitenant ter zee IIe klasse, de heer Van der Spek. Door hem werd hij als ondercommandant aangesteld. Op 11 juni 1945, op zijn 37e verjaardag, vertrokken ze met trucks van het vliegveld Townsville, richting haven. Daar werden ze ingescheept op het volgeladen Liberty schip van de Amerikaanse marine. Het doel was de bevrijding van Nederlands-Indië.

Borneo; de invasie en bevrijding van Nederlands-Indië
Op 7 juli doet Jaap mee aan de invasie van Balikpapan. De slag om Tarakan (mei 1945) vormde de eerste fase van de Borneo campagne. Met een overmacht aan zware tanks en manschappen van de Amerikanen en op de flanken gesteund door de Australische infanterie, werd de Japanse bezetting vernietigd. Slechts een handjevol Japanners, konden worden vastgenomen en achter prikkeldraad geplaatst. De afdeling van het KNIL werd gedetacheerd nabij het vliegveld van Balikpapan op ruim 18 km afstand van de eigenlijke stad. Na veel schieten wisten de manschappen hun doel, het vliegveld te bereiken. De strijdkrachten werden over de gehele linie gewaarschuwd, dat de Jap op zeer geraffineerde wijze boobytraps hadden neergelegd en ondanks deze waarschuwing waren er toch nog de nodige slachtoffers.

Bij aankomst bij het vliegveld van Balikpapan kreeg Jaap van zijn commandant, de marine officier, Luitenant ter Zee van der Spek, opdracht een terrein uit te zoeken voor het opzetten van een eigen tentenkamp. Jaap stuitte op een boobytrap en wist deze net te ontwijken. Een afdeling van het KNIL -hun aantal was niet zo groot- kreeg tot taak de zoetwaterbron, een enorme grote put, tegen de Jappen te beveiligen. Op het vliegveld was maar één zoetwaterbron en die moest kostte wat het kost behouden blijven. Ze wisten een poging de bron te vergiftigen te voorkomen.

Op 16 augustus kreeg Jaap de officiële bevestiging dat Japan gecapituleerd had en aan alle voorwaarden voor een vrede zou voldoen.
Mijn moeder Gé vernam pas op 30 augustus, in het kamp Kandangan bij Bandjarmasin, dat ze bevrijd waren, door het bericht dat ze op 31 augustus Koninginnedag mochten vieren.
Gé en de twee andere verpleegsters kregen opdracht van N.I.C.A. officieren om een hospitaal in Banjarmasin in gereedheid te brengen voor opvang van 200 mannelijke krijgsgevangenen van Poeloe Tjauw. Het werken werd voor Gé steeds moeilijker door rugpijn, terugkerende buikpijn-aanvallen en soms een malaria-aanval. Op 18 oktober kwam er een Australische Brigadier met een Catalina-vliegboot en werd Gé verzocht om mee te gaan naar Balikpapan waar een Australisch Veldhospitaal was en waar er Röntgenfoto’s genomen konden worden. Ook mevr. Colijn ging mee en mevr. Koop van de B.P.M., die nodig een oogoperatie moest ondergaan. In Balikpapan waren Gé en mevr. Colijn onderweg toen ze overvallen werden door een tropische regenbui.  Ze gingen schuilen onder een afdak van een huis en besloten te liften.

Jaap hielp ondertussen opvang te regelen voor de terugkerende krijgsgevangenen uit Manilla. Samen met de 1e Luitenant Stoner van de R.A.A.F. besloten ze op een zondagmorgen naar een Amerikaans depot-equipement te gaan om aldaar de benodigde dekens en stretchers te charteren. Op weg naar Balikpapan begon het tropisch te regenen; je kon bij wijze van spreken géén twee meter voor je uit zien. Ze waren reeds in de stad, toen Stoner opmerkte, dat daar twee verpleegsters stonden die waarschijnlijk graag een lift wilden hebben. Jaap stopte en samen, onder beschutting van een Amerikaanse gummi regenjas, liepen ze naar de verpleegsters.

Het meest ongeloofwaardige voltrok zich. Voor hem in de deurpost van een huis stond zijn vrouw, naast een voor hem onbekende dame.
Het is een ontmoeting geweest om nooit te vergeten. Gé was op weg naar het Australische veldhospitaal voor onderzoek, terwijl mevrouw Colijn onder bescherming en zorgen van de Shell-autoriteiten naar Californië afreisde. Het samenzijn met Jaap duurde echter maar kort.

Naoorlogse- en Bersiap periode
Röntgenfoto’s wezen uit dat het noodzakelijk was dat Gé geopereerd moest worden en dat kon beter in Australië. Zo vertrok Gé op 1 november 1945 naar Australië. Een paar dagen later, op 3 november 1945 werd Jaap overgeplaatst vanuit Borneo naar het vliegveld Tjililitan bij Batavia op Java. Maar mijn ouders hadden contact en wisten elkaar voortaan te bereiken.

Gé werd opgenomen in het Queen Victoria Hospitaal, een Australisch Militair Hospitaal, waar ze werd geopereerd. Na de operatie moest ze eerst nog 6 weken in dat hospitaal blijven. Het was inmiddels Kerstmis. Na de 6 weken ziekenhuis volgde nog 3 maanden herstel in een “convalescente house” waaruit ze half april 1946 werd ontslagen. Gé meldde zich weer op het hoofdkwartier van het Nederlandse Rode Kruis. Gé vroeg om werk want vanwege de malaria, moest Gé nog minstens een half jaar buiten de tropen blijven. Men verzocht haar om bij Professor A. Siegenbeek van Heukelom te  gaan zorgen voor zijn vijf kinderen in de leeftijd van 10, 8, 6, en een tweeling van 4 jaar. Nadat de Professor en zijn kinderen naar Holland waren gegaan, vroeg het Australische Rode Kruis of Gé kon helpen, want er was een polio epidemie uitgebroken en men kwam handen tekort. Het antwoord was negatief. Men zei doodleuk: “Als U hier kunt werken, dan kunt U dat ook op Java”. Zo vertrok Gé in december 1946 weer naar Java. Na vijf jaar was ze weer terug. Haar Rode Kruis dienst was ten einde.

Een kleine groep KNIL-militairen waaronder Jaap werd twee dagen na het vertrek van Gé naar Australië, op 3 november 1945- overgeplaatst naar het 18e Squadron en gelegerd op het vliegveld Tjililitan, nabij Batavia. Dit nog vóór het uitdrukkelijke bevel van Mountbatten om geen KNIL of Nederlandse troepen toe te laten. Met veel gevaar voor eigen leven heeft Jaap samen met de Surinaamse soldaat Jos Mann het overtollige wittebrood en andere goederen naar het bezette Tjideng Kamp gebracht. De KNIL-militairen konden deze grote menigte vrouwen en kinderen géén bescherming bieden en het was ook niet toegestaan de gehate Japanse kampwachten te vervangen. Dat gaf een groot gevoel van onmacht.

Op 1 januari 1946 wordt Jaap bevorderd tot sergeant-majoor Magazijn Meester.
Op 23 september 1946 is hij overgegaan naar het Depot M.L. Diezelfde datum voegt Gé zich weer, geheel hersteld bij Jaap en betrekken zij een particuliere woning aan de Riouwweg 8 te Batavia. Ze wordt op 20 januari 1947 aangesteld als Vaklerares in tijdelijke dienst aan de Gouvernement Lagere Nijverheidsschool “Betoe Toelis”. Ze raakt opnieuw zwanger en is op advies van Dr. Beukema eind mei 1947 per vliegtuig teruggekeerd naar Nederland waar ze op 2 juni aankwam. Ook deze zwangerschap eindigt in een miskraam.
Jaap werd op 4 september 1947 overgeplaatst naar het 122e Squadron te Medan op Sumatra. Hij verzocht in het kader van gezinshereniging naar Nederland te mogen vertrekken. Dit werd niet toegestaan. Hier, op Sumatra, bleef hij een kleine twee jaar tot hij op 25 augustus 1949 werd overgeplaatst naar het Centraal Bureau voor Opvang te Batavia. Dit duurde slechts twee weken. Op 3 september scheepte Jaap zich in op de “Kota Inten” die op 2 oktober in Rotterdam arriveerde. Na 10 jaar was hij weer terug op Nederlandse bodem. Op 29 december waren mijn ouders 10 jaar getrouwd, vrij en herenigd in Nederland. Maar hun huwelijk moest eigenlijk nog beginnen.

Nederland
In Nederland werd Jaap opgenomen in het Militair Hospitaal in Nijmegen. Mijn ouders vonden een woning in Weesp. In 1950 is Jaap overgegaan naar de magazijndienst K.N.L.M op Soesterberg (Legernummer: 08.18.11.001).
Ze krijgen 3 kinderen in 1951, 1952 en 1953. Op 1 juli 1955 is Jaap met militair pensioen gegaan in de rang van Adjudant onderofficier Magazijnmeester
In februari 1956 is Jaap met het hele gezin geëmigreerd naar Australië. Ze woonden  82 West Street in Toowoomba. Werk vinden was moeilijk door economische malaise. In 1958 is het gezin  teruggekeerd naar Nederland.
Tot september 1959 werkt hij als fabrieksarbeider bij weverij Vlisco te Helmond. Vervolgens een jaar als magazijnwerker bij een kledingbedrijf in Zutphen tot hij -tot aan zijn pensioen in 1973- werk vindt als administratief medewerker en lichtdrukker bij een lichtdrukkerij in Zutphen.
In 1980 leest Jaap in de belastinggids dat vanaf 1 januari 1977 alle oud-deelnemers aan het verzet via de stichting ’40 – ‘45 een toeslag van fl. 3000,- per jaar voor medisch sociale kosten kunnen ontvangen, belastingvrij.
Jaap doet een verzoek om in aanmerking te komen voor het “Buitengewoon pensioen Indisch Verzet”. De commissie die het onderzoekt, stelt in 1987 vast dat:

  • Uit onderzoek is gebleken dat de heer Bakker heeft deelgenomen aan de guerrillastrijd op Timor
  • Betrokkene tijdens deze strijd velerlei activiteiten, zowel in groepsverband als individueel heeft verricht.
  • Gelet op de duur, aard en omvang van de door betrokkene verrichte verzetsactiviteiten, deze verzetsdeelneming aan buiengewoon zware en langdurige spanningen als bedoeld in artikel 6 derde lid sub a van de buitengewoon pensioen Indische verzet heeft blootgestaan.
  • “Door de grote achterstand” in administratie moesten ze rekenen op enkele jaren wachten, aleer er een beslissing genomen kon worden” aldus volgens de staatssecretaris van CRM.

Toch wordt de aanvraag afgewezen. Ook de aanvraag van Gé wordt afgewezen.
In Zutphen is hij, 93 jaar oud, overleden op 3 augustus 2001

Jaap werd gedecoreerd met:

  • Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met gesp Timor 1942
  • Het Oorlogsherinneringskruis met de gesp:
    • Krijg te Land 1940-1945
    • Nederlands-Indië 1941-1942
    • Oost-Azië Zuid Pacific 1942-1945
  • Verzetskruis (De tyranny verdreven) 1940-1945
  • Ereteken Orde en Vrede
  • 24 jaar trouwe dienst
  • Vrijwilligersmedaille Openbare Veiligheid
  • Pacific Star 8 dec. 1941
  • 1939-1945 Australian Medal Service
  • Verzetsherdenkingskruis
    Zowel mijn vader als mijn moeder hebben beiden het Verzetsherdenkingskruis ontvangen.
Mijn vader Jakob Bakker en mijn moeder Gesina Bakker-Broerse. Beiden bij de uitreiking van het Verzetsherdenkingskruis.

Een reactie plaatsen

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *